ECLI:NL:RBZWB:2025:9407
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de WOZ-waarde van een woning in aanbouw en de gevolgen voor de onroerendezaakbelastingen
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 30 december 2025, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, een woning in aanbouw, vastgesteld op € 455.000 per 1 januari 2024. Na bezwaar van de belanghebbende werd deze waarde verlaagd naar € 432.000. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de belanghebbende zich afmeldde voor de zitting. De rechtbank heeft het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen, omdat het verzoek te laat en op een onjuiste wijze was ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens de waardebepaling van de woning beoordeeld aan de hand van de Wet WOZ. De heffingsambtenaar moest aannemelijk maken dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar niet voldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem vastgestelde waarde van € 432.000. De rechtbank oordeelt dat de waarde van de woning op de toestandsdatum schattenderwijs op € 380.000 moet worden vastgesteld. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig moet worden verminderd. De heffingsambtenaar moet ook het griffierecht vergoeden aan de belanghebbende. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, omdat de gemachtigde geen beroepsmatige rechtsbijstand heeft verleend.