ECLI:NL:RBZWB:2025:9409

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/02/441123 / FA RK 25-5432
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253g BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorziening in het ouderlijk gezag na overlijden moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure inzake het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2022. De moeder van het kind is in 2025 overleden, waarbij zij het eenhoofdig gezag over het kind uitoefende. De vader, die het kind samen met zijn zusje erkend heeft en feitelijk verzorgt, verzocht samen met de Raad voor de Kinderbescherming om hem te belasten met het gezag over het kind.

De rechtbank constateerde dat door het overlijden van de moeder een gezagsvacuüm is ontstaan, aangezien het gezag niet automatisch op de vader overging. Op grond van artikel 1:253g BW kan de rechter de overlevende ouder met het gezag belasten, tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

De vader heeft altijd samen met de moeder de zorg en opvoeding gedragen en zorgt nu voor de kinderen in een stabiele en vertrouwde omgeving. De rechtbank acht het in het belang van het kind dat de vader het gezag krijgt, zodat hij gezagsbeslissingen kan nemen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om een nieuw gezagsvacuüm te voorkomen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De vader wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441123 / FA RK 25-5432
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking voorziening in het gezag
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRBANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 23 oktober 2025, ontvangen op 23 oktober 2025;
  • de brief van de griffier gericht aan de vader van 30 oktober 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1.
Binnen de relatie van de ouders zijn [minderjarige 1] en zijn zusje [minderjarige 2] geboren.
2.2
De moeder van [minderjarige 1] is op [datum] 2025 overleden.
2.3
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De moeder was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De ouders waren samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] woont samen met zijn vader en [minderjarige 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt om de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] op grond van artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun moeder op zeer jonge leeftijd hebben verloren hetgeen een grote zorg is in hun ontwikkeling. Gelukkig gaat het naar omstandigheden goed met de kinderen. De kinderen worden goed opgevangen door de vader en familie. De vader is bereid hulp te zoeken en te accepteren indien dit nodig zou zijn voor de kinderen om het overlijden van hun moeder te verwerken. De Raad ziet geen zorgen over het veilig opgroeien van de kinderen. Zij verblijven na het overlijden van de moeder in de voor hen vertrouwde omgeving met hun vader, die hen verzorgt en opvoedt. De vader stond tot aan de dag van het overlijden van de moeder weliswaar ingeschreven op een ander adres, maar de vader was altijd aanwezig bij de moeder en de kinderen en woonde daar feitelijk. Het is ook altijd de bedoeling van de ouders geweest dat de vader over beide kinderen, dus zowel over [minderjarige 2] als over [minderjarige 1] , mede het gezag zou dragen. Vanwege onwetendheid is dit door de ouders in het verleden echter niet goed voor [minderjarige 1] geregeld.

4.De beoordeling

4.1.
De moeder had alleen het gezag over [minderjarige 1] . Als gevolg van het overlijden van de moeder wordt er sindsdien niet voorzien in het gezag over hem. Dat betekent dat er sprake is van een gezagsvacuüm.
4.2.
Op grond van artikel 1:253g, eerste lid, BW bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat de rechter dit doet op verzoek van de Raad, de overlevende ouder of ambtshalve. Volgens het derde lid wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich ertegen verzet om de vader te belasten met het ouderlijk gezag over hem. De vader heeft altijd samen met de moeder de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] gedragen en daarom acht de rechtbank het juist in het belang van [minderjarige 1] dat de vader met het gezag over hem wordt belast. De uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] door de vader doet het meest recht aan de huidige situatie. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de vader nu (gezags)zaken en (gezags)beslissingen over hem kan nemen. De rechtbank zal daarom de vader belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
4.4
De rechtbank zal haar beslissing, gelet op de aard daarvan en om een nieuwe gezagsvacuüm te voorkomen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden uitgevoerd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de vader, de heer [de vader] , wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 4 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.