ECLI:NL:RBZWB:2025:9417

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
1802751 \ CV EXPL 25-3651
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van 't Nedereind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:233 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

De verhuurders vorderen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand van vijf maanden. De huurder erkent de achterstand en geeft aan deze te hebben ingelopen, maar verschijnt niet op de mondelinge behandeling. De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand tijdens de procedure is blijven bestaan en zelfs is opgelopen tot € 5.018,45 inclusief rente en kosten.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder tekort is geschoten in zijn verplichtingen en dat de omvang en duur van de huurachterstand ontbinding en ontruiming rechtvaardigen. De huurder wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening de woning te verlaten. Daarnaast moet hij de achterstallige huur betalen, een gebruiksvergoeding vanaf 1 december 2025 en een vergoeding voor het gebruik van de woning na ontbinding.

De kantonrechter toetst ambtshalve de algemene voorwaarden en verklaart het incassobeding niet oneerlijk. De buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten worden toegewezen. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11802751 \ CV EXPL 25-3651
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [verhuurders] ,
gemachtigde: mr. M.L.A. van Hurne,
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

In deze zaak moet de kantonrechter beslissen of de huurovereenkomst tussen [verhuurders] en als [huurder] moet worden beëindigd en de woning moet worden verlaten door het ontstaan van een huurachterstand. De kantonrechter zal de vorderingen van [verhuurders] (grotendeels) toewijzen. Hierna legt de kantonrechter uit waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025;
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[verhuurders] verhuren met ingang van op of omstreeks 11 september 2020 aan [huurder] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 851,74 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
3.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. [verhuurders] hebben [huurder] aangemaand op 3 november 2024 en 20 november 2024 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
3.3.
[verhuurders] hebben [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. [verhuurders] hebben [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

4.Het geschil

4.1.
[verhuurders] vorderen – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van een bedrag van
€ 4.983,91 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
4.2.
[verhuurders] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (tijdig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [verhuurders] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
Op de rolzitting 23 juli 2025 heeft [huurder] erkend dat er sprake is van een huurachterstand. [huurder] geeft aan inmiddels de huurachterstand te hebben ingelopen. Verder heeft [huurder] omstandigheden geschetst waaronder de huurachterstand is ontstaan. Zo is de huurachterstand ontstaan omdat hij een periode zonder werk heeft gezeten. Tot slot geeft [huurder] aan het nog met de [verhuurders] te willen hebben over de huurprijs en servicekosten over de periode 2023 en 2024.
4.4.
Bij vonnis van 6 augustus 2025 is vervolgens een mondelinge behandeling bepaald, waarvoor beide partijen zijn uitgenodigd. [huurder] is niet bij de mondelinge behandeling aanwezig hoewel hij kennis heef genomen dan wel heeft kunnen nemen van het feit dat op 20 november 2025 een zitting zou plaatsvinden. Door niet op de zitting te verschijnen, heeft [huurder] zichzelf de mogelijkheid ontnomen om zijn stellingen uitgebreider toe te lichten, om op de (verdere) stellingen van [verhuurders] in te gaan en om vragen daarover van de kantonrechter te beantwoorden. Dit, terwijl er in het tussenvonnis van 6 augustus 2025, uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
4.5.
[verhuurders] hebben tijdens de zitting uitgelegd waarom zij hun vordering indienen. [huurder] is tekortgeschoten in het nakomen van haar verplichtingen die staan in de huurovereenkomst. De tekortkoming bestaat uit het niet (tijdig) betalen van de huur. Tijdens de procedure is de huurachterstand niet verder ingelopen. Nu [huurder] de huur structureel niet betaalt en toezeggingen niet nakomt, hebben [verhuurders] weinig vertrouwen dat de huurbetalingen in het vervolg op tijd en volledig door [huurder] zullen worden voldaan. De hoogte van de huurachterstand en het structureel te laat betalen van de huur rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde, zodat de (neven)vorderingen moeten worden toegewezen volgens [verhuurders] .
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Huurachterstand
5.1.
[verhuurders] hebben op de mondelinge behandeling gesteld dat de huurachterstand gelijk is gebleven op een bedrag van € 4.258,70 (huurachterstand tot en met november 2025). [huurder] was niet op de mondelinge behandeling aanwezig en heeft dit dus niet weersproken, zodat de vordering tot betaling daarvan in dit geval zal worden toegewezen.
Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde
5.2.
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat hij zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de huurvoorwaarden en de wet. Wanneer [huurder] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. De vraag is dus of er een tekortkoming is en zo ja, of deze van voldoende gewicht is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder de belangen van partijen.
5.3.
De kantonrechter stelt vast dat de openstaande huurschuld op moment van dagvaarden in totaal vijf volledige maanden bedroeg. Hoewel [huurder] op 22 juli 2025 een bedrag van € 4.258,70 heeft voldaan, is de huurachterstand tijdens de procedure opgelopen met de maanden juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025 en november 2025 tot een bedrag van € 5.018,45 (inclusief rente en buitengerechtelijke kosten). Hierdoor is de huurachterstand gelijk gebleven aan het aantal maanden op moment van dagvaarden. Door deze forse en blijvende huurachterstand is naar het oordeel van de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en de ontruiming van de woning (met nevenvorderingen) dan ook gerechtvaardigd.
5.4.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Vervallen huurtermijnen en gebruiksvergoeding
5.5.
[verhuurders] willen ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 851,74, vanaf 1 juli 2025 tot het moment dat [huurder] het gehuurde verlaat. Dit bedrag is de huurprijs per maand. Na ontbinding van de huurovereenkomst geldt dit als gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde blijft. De kantonrechter kent het gevorderde bedrag toe, zoals in de dagvaarding vermeld, van € 851,74 per maand vanaf 1 december 2025 voor de huur die nog openstaat, tot de huurovereenkomst stopt. De huurtermijnen tot en met november 2025 zijn namelijk al meegenomen in het toe te wijzen bedrag dat [huurder] moet betalen. Daarnaast wijst de kantonrechter een bedrag van € 851,74 per maand toe als gebruiks- of schadevergoeding voor elke maand of deel daarvan dat [huurder] na ontbinding in gebreke blijft het gehuurde te verlaten.
Ambtshalve toetsing van de voorwaarden (incassokosten)
5.6.
Daarnaast overweegt de kantonrechter dat [verhuurders] professioneel verhuurder zijn. [huurder] heeft als consument-huurder woonruimte van [verhuurders] gehuurd. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen (dat wil zeggen; uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) of op de overeenkomst met [huurder] algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn voor een consument, in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
5.7.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of afspraken, waaraan een consument vastzit, zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar gevolgen aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
5.8.
In de algemene voorwaarden is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

25.2. In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.
5.9.
Het incassobeding in artikel 25.2 van de algemene voorwaarden, verwijst naar de (deels) dwingendrechtelijke regeling in artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat het beding, hoewel niet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, als niet oneerlijk kan worden beschouwd ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten omdat deze kosten worden beperkt tot wat wettelijk is toegestaan. Het beding wordt in stand gehouden.
5.10.
De buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen zoals gevorderd.
Rente en proceskosten
5.11.
De gevorderde verschenen en toekomstige wettelijke rente over de hoofdsom zal als niet weersproken worden toegewezen zoals hierna (onder 6. De beslissing) bepaald.
5.12.
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden ziet ook op de proceskosten. Voor zover [verhuurders] op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.079,45
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] in [plaats] ,
6.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurders] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurders] ,
6.3.
veroordeelt [huurder] om aan [verhuurders] te betalen:
- een bedrag van € 5.018,45 aan achterstallige huur tot en met november 2025 (inclusief wettelijke rente tot en met 20 november 2025 en buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.258,70 vanaf 21 november 2025 tot de dag dat alles is betaald;
- een bedrag van € 851,74 per maand vanaf 1 december 2025 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
- een bedrag van € 851,74 aan gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat Streden het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt;
6.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.079,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.6.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.