ECLI:NL:RBZWB:2025:9418

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
11840376 CV EXPL 25-4017
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding van operational leaseovereenkomsten wegens niet-nakoming en niet-tijdige retournering leaseobjecten

Gedaagde sloot met eiseres twee operational leaseovereenkomsten waarbij gedaagde kwartaalbetalingen verschuldigd was. Door bedrijfsinkrimping wilde gedaagde een deel van de leaseovereenkomsten opzeggen, maar zonder instemming van eiseres storneerde hij een deel van de kwartaalbetalingen. Eiseres stelde dat dit een tekortkoming was en ontbond de overeenkomsten, vorderde betaling van achterstallige en toekomstige termijnen en een boete wegens niet-tijdige retournering van de leaseobjecten.

De rechtbank stelde vast dat de leaseovereenkomsten een niet-opzegbare basishuurperiode bevatten, waardoor gedaagde gehouden was de kwartaaltermijnen te voldoen. Het storneren van betalingen leidde tot een tekortkoming. Eiseres was gerechtigd de overeenkomsten te ontbinden en de gevorderde bedragen te vorderen. Ook de contractuele boete wegens het niet binnen vijf werkdagen retourneren van de leaseobjecten werd toegewezen.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente deels toegewezen, waarbij rente over achterstallige termijnen als handelsrente en over toekomstige termijnen als wettelijke rente werd toegekend. Gedaagde werd veroordeeld tot afgifte van de leaseobjecten binnen zeven dagen na betekening, onder dreiging van een dwangsom. De proceskosten werden eveneens aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de leaseovereenkomsten en veroordeelt gedaagde tot betaling van achterstallige en toekomstige leasetermijnen, een boete en incassokosten, en tot afgifte van de leaseobjecten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11840376 \ CV EXPL 25-4017
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser] N.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: DKV Legal B.V.,
tegen

1.[gedaagde 1] V.O.F.,

wonende te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[gedaagden] heeft met [eiser] twee operational leaseovereenkomsten gesloten. [gedaagden] is op grond van de leaseovereenkomsten ieder kwartaal leasetermijnen verschuldigd. [gedaagden] wil door het inkrimpen van zijn bedrijf een deel van de leaseovereenkomsten opzeggen. Zonder dat [eiser] daarmee instemt, storneert [gedaagden] toch een deel van de kwartaalbetalingen. Volgens [eiser] is daardoor sprake van een tekortkoming en zij ontbindt de leaseovereenkomsten. Zij vordert betaling van alle toekomstige en achterstallige termijnen. Ook maakt ze aanspraak op een boete, omdat [gedaagden] de leaseobjecten niet tijdig heeft geretourneerd. De kantonrechter wijst de vorderingen toe. De leaseovereenkomsten kennen een niet-opzegbare basishuurperiode. [gedaagden] was dan ook gehouden de kwartaaltermijnen te voldoen. Omdat [gedaagden] is tekortgeschoten, mocht [eiser] de leaseovereenkomsten ontbinden. [gedaagden] is gehouden de door [eiser] gevorderde bedragen te betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2024;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de mondelinge conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben in oktober 2022 en november 2022 twee operational leaseovereenkomsten gesloten welke betrekking hebben op een [leaseobject 1] en een [leaseobject 2]. Op de leaseovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is bepaald:
“1. AANVANG VAN DE LEASE, PLICHT OM DEFECTEN TE RAPPORTEREN, ACCEPTATIE VAN HET/DE LEASEOBJECT(EN) (HIERNA: ‘LO’)
De niet-opzegbare basishuurperiode gaat in op de eerste dag van het kalenderkwartaal of, indien maandelijkse betalingen zijn overeengekomen, de eerste dag van de kalendermaand na aflevering van het LO. Indien het LO eerder wordt afgeleverd dan op de datum waarop de basishuurperiode ingaat, is voor iedere dag van de tussenliggende periode 1/30 van de maandelijkse huurprijs door Lessee verschuldigd. Lessee zal het LO bij of direct na aflevering zorgvuldig inspecteren op volledigheid, juiste werking en conformiteit en (indien van toepassing) gebreken en tekortkomingen melden. Nadat Lessee heeft vastgesteld dat de aflevering compleet is en het LO zich in de contractueel overeengekomen staat bevindt zal Lessee aflevering van het LO aan Lessor bevestigen door middel van een door Lessor beschikbaar gestelde afgiftebevestiging of ander document.
(…)
11. ONTBINDING EN SCHADEVERGOEDING
Indien Lessee zijn verplichtingen niet volledig en/of niet op tijd voldoet/betaalt of indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat Lessee zijn verplichtingen uit het Contract niet zal nakomen (inclusief maar niet beperkt tot gevallen van faillissement, uitstel van betaling, beëindiging van de onderneming, tenietgaan of verlies van het LO, beslag of verhaal op het LO en verplaatsing van de vestigingsplaats of het zakelijke adres), is Lessee direct in verzuim en heeft Lessor het recht, zonder enige verplichting tot ongedaanmaking of vergoeding aan Lessee en onverminderd de overige rechten van Lessor, om het Contract geheel of gedeeltelijk te ontbinden of de nakoming van diens verplichtingen op te schorten.
Bij ontbinding van het Contract heeft Lessor het recht op onmiddellijke betaling door Lessee van een schadevergoeding bestaande uit de vervallen nog niet betaalde huurtermijnen die Lessee bij het in stand houden van het Contract gehouden zou zijn te voldoen, vermeerderd met renten en kosten (waaronder de kosten die Lessor moet maken in verband met de ontbinding van het Contract). Ten aanzien van de hoogte van de hiervoor bedoelde schadevergoeding vormt de administratie van Lessor dwingend bewijs; behoudens door Lessee te leveren tegenbewijs. In geval van ontbinding (of anderszins) beëindiging van het Contract verliest Lessee onmiddellijk het recht op gebruik van het LO en dient het LO door Lessee binnen vijf werkdagen naar Lessor te worden teruggezonden. Indien Lessee het LO niet onmiddellijk doch uiterlijk binnen vijf dagen teruggeeft, dan is Lessee een direct opeisbare boete verschuldigd van twee maal de kwartaalvergoeding (huurprijs) die Lessee onder het Contract verschuldigd is met een minimum van 300,00 EUR. Lessee is jegens Lessor niet gerechtigd teruggave van het LO op te schorten, op welke grond dan ook.”
3.2.
In april 2024 heeft [gedaagden] bij [leaseobject 1] aangegeven dat haar bedrijf om persoonlijke redenen ging inkrimpen. [leaseobject 1] is de leverancier van de leaseobjecten. [gedaagden] heeft aangegeven een deel van de leaseobjecten in te willen leveren. Zij heeft hierover contact met [leaseobject 1], maar niet met [eiser] .
3.3.
In oktober 2024 geeft [gedaagden] richting [leaseobject 1] en [eiser] aan dat een deel van de leaseobjecten is komen te vervallen, maar dat zij daarvoor wel een factuur heeft ontvangen. [gedaagden] storneert deze betaling. Het ging om een kwartaaltermijn van € 1.272,50 en een kwartaaltermijn van € 133,95.
3.4.
Op 11 oktober 2024, 25 oktober 2024 en 11 november 2024 stuurt [eiser] betalingsherinneringen aan [gedaagden] voor de voornoemde kwartaaltermijnen. Bij de betalingsherinnering van 11 november 2024 kondigt [eiser] ook de ontbinding van de leaseovereenkomsten aan voor het geval [gedaagden] niet voor 21 november 2024 aan haar betalingsverplichting voldoet.
3.5.
[gedaagden] betaalt niet. Op 16 december 2024 stuurt [eiser] daarom een brief aan [gedaagden] waarin zij aangeeft dat zij de leaseovereenkomsten ontbindt. Zij vraagt [gedaagden] de leaseobjecten binnen vijf werkdagen te retourneren. Gebeurt dit niet, dan wordt een boete in rekening gebracht van twee termijnen (met een minimum van € 300,00). Ook vordert [eiser] betaling van alle toekomstige leasetermijnen van in totaal € 1.572,81 (exclusief gevorderde rente) en € 5.057,96 (exclusief gevorderde rente). Deze brief wordt op 20 december 2024 ook door de deurwaarder aan [gedaagden] afgeleverd.
3.6.
De incassogemachtigde van [eiser] stuurt [gedaagden] op 16 januari 2025 een brief met het herhaalde verzoek de leaseobjecten te retourneren. Omdat de leaseobjecten niet direct na de ontbinding zijn geretourneerd, maakt [eiser] aanspraak op de contractuele boete.
3.7.
[gedaagden] gaat in overleg met [eiser] , maar zij gaat uiteindelijk niet over tot betaling van de gevorderde bedragen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert kort gezegd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Een verklaring voor recht dat de operational leaseovereenkomsten zijn ontbonden;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van:
i. € 7.635,39 aan achterstallige en toekomstige termijnen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 23 juli 2025;
ii. € 756,77 aan incassokosten, inclusief btw;
iii. € 542,59 aan rente tot 23 juli 2025;
iv. € 2.403,30 aan contractuele boete;
[gedaagden] te veroordelen tot afgifte aan [eiser] van de leaseobjecten in goede staat binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;
[gedaagden] te veroordelen tot betaling van de handelsrente over € 8.037,22 vanaf 23 juli 2025;
[gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiser] kort gezegd dat [gedaagden] ondanks herhaalde verzoeken niet heeft voldaan aan de betalingsverplichting voortvloeiende uit de leaseovereenkomsten. Volgens [eiser] is [gedaagden] daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Volgens artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden kan [eiser] bij niet volledige of tijdige betaling de overeenkomst ontbinden en de achterstallige en toekomstige termijnen opeisen. Daarnaast moet [gedaagden] de leaseobjecten retourneren aan [eiser] . [gedaagden] heeft geen gehoor gegeven aan de sommaties en hierdoor heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien de incasso van haar vordering uit handen te geven. De kosten die hierdoor zijn gemaakt, moet [gedaagden] volgens [eiser] ook vergoeden. Ook wordt aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente.
4.3.
[gedaagden] voert verweer. Zij voert aan dat wegens persoonlijke omstandigheden het bedrijf moest inkrimpen. Hierdoor zijn 14 van de 22 machnies vervallen. [gedaagden] wilde de lopende leaseovereenkomsten ‘openbreken’ en doorgaan met minder leaseobjecten. [gedaagden] heeft naar eigen zeggen op dit verzoek geen reactie gekregen en daarom de betaling voor de periode oktober tot en met december 2024 gestorneerd. [gedaagden] wil wel verder met [eiser] , maar dan met minder leaseobjecten. Het is nooit de bedoeling geweest van [gedaagden] dat alle overeenkomsten volledig ontbonden zouden worden.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

[gedaagden] is tekortgeschoten in nakoming van de overeenkomst
5.1.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat aan de zijde van [gedaagden] sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de leaseovereenkomsten. Hiertoe overweegt zij het volgende. Niet in geschil is dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de leaseovereenkomsten. Op basis van de gesloten leaseovereenkomsten, in samenhang met de algemene voorwaarden, is [gedaagden] gehouden de kwartaaltermijnen te voldoen. [gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat hij de overeenkomsten wilde ‘openbreken’ en door wilde gaan met minder leaseobjecten, maar nergens blijkt uit dat [eiser] daarmee heeft ingestemd. [eiser] voert daartegenover terecht aan dat een tussentijdse verandering of opzegging van de overeenkomst niet mogelijk is. Uit artikel 1 van Pro de algemene voorwaarden volgt dat het gaat om een ‘niet-opzegbare basishuurperiode’. Desondanks heeft [gedaagden] de kwartaaltermijnen gestorneerd. Hierdoor is een betalingsachterstand ontstaan en daarmee is [gedaagden] tekortgeschoten in de nakoming van de leaseovereenkomsten.
5.2.
Dat [gedaagden] heeft voorgesteld om de overeenkomsten af te kopen, nog voordat de leaseovereenkomsten door [eiser] zijn ontbonden, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. [eiser] heeft aan [gedaagden] laten weten dat de achterstanden eerst betaald moeten worden voordat zij een afkoopvoorstel kan opstellen. [gedaagden] heeft vervolgens de betalingsachterstand niet voldaan. Dat [eiser] niet heeft ingestemd met de afkoop, ligt daardoor in de risicosfeer van [gedaagden] .
[eiser] was gerechtigd de leaseovereenkomsten te ontbinden
5.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] de leaseovereenkomsten in beginsel met een beroep op artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden kan ontbinden en de achterstallige en toekomstige leasetermijnen kan vorderen. Dat betekent dat de vordering tot betaling van de achterstallige leasetermijnen (€ 1.272,50 en € 133,95) en de toekomstige leasetermijnen (€ 1.572,81 en € 5.057,96) toewijsbaar is.
De contractuele boete is toewijsbaar
5.4.
[eiser] kan aanspraak maken op de contractuele boete, omdat [gedaagden] de leaseobjecten niet binnen de gevraagde termijn aan [eiser] heeft geretourneerd. Op grond van artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden verliest een lessee in geval van ontbinding van de overeenkomst onmiddellijk het recht op gebruik van het leaseobject en moet dit binnen vijf werkdagen aan [eiser] teruggestuurd worden. Nu [gedaagden] hieraan niet heeft voldaan, is zij een direct opeisbare boete verschuldigd. [eiser] vordert daarom betaling van € 2.403,30. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen. Dit geldt ook voor de vordering van [eiser] om [gedaagden] te veroordelen tot afgifte van de leaseobjecten, zijnde de [leaseobject 1] en een [leaseobject 2]. Wel ziet de kantonrechter, mede gelet op het toe te wijzen bedrag aan contractuele boete wegens het niet retourneren van de leaseobjecten, aanleiding om de door [eiser] gevorderde dwangsom te matigen en op een lager bedrag te maximeren, zoals hierna in het dictum wordt vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar
5.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 756,77 worden toegewezen.
Wettelijke handelsrente is slechts voor een deel toewijsbaar
5.6.
[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de hoofdsom van 8.037,22. Voor vergoeding van wettelijke handelsrente over dit gehele bedrag bestaat geen grondslag, nu dit bedrag ook ziet op toekomstige termijnen. Artikel 6:119a BW ziet immers alleen op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. Dat zijn in dit geval alleen de achterstallige termijnen. Voornoemd artikel ziet niet op vorderingen tot vergoeding van schade, waar de vordering tot betaling van de toekomstige termijnen eigenlijk op ziet. De slotsom is dat [gedaagden] alleen wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW verschuldigd is over de achterstallige termijnen. Over de toekomstige termijnen is [gedaagden] wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 verschuldigd Pro. Deze wettelijke rente kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (5 augustus 2024), omdat niet gesteld en niet gebleken is waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is. De kantonrechter wijst de wettelijke (handels)rente toe zoals hierna in het dictum wordt vermeld.
Proceskosten
5.7.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punt × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.612,35
5.8.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart voor recht dat de operational leaseovereenkomsten ( [nummer 1] en [nummer 2] ) tussen [eiser] en [gedaagden] zijn ontbonden,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag aan achterstallige leasetermijnen van € 1.406,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag aan toekomstige leasetermijnen van € 6.630,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag aan contractuele boete van € 2.403,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt [gedaagden] tot afgifte aan [eiser] van de leaseobjecten ([leaseobject 1] en een [leaseobject 2]) binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat [gedaagden] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 1.000, -,
6.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 756,77 aan buitengerechtelijke kosten,
6.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.206,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door Ebben en in het openbaar uitgesproken op
31 december 2025.