ECLI:NL:RBZWB:2025:9420

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
02-205661-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie met vrijspraak voor witwassen

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 5 juli 2025 in Tilburg twee pistolen en munitie voorhanden had. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, geboren in 2001 en gedetineerd in een penitentiaire inrichting, op de zitting van 17 december 2025 werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. el Bellaj. De officier van justitie, mr. I Bouhdan, beschuldigde de verdachte van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, en van witwassen van een geldbedrag van € 7.100,00. De rechtbank oordeelde dat de pistolen en munitie rechtmatig waren verkregen, ondanks de verdediging die stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige doorzoeking van de auto van de verdachte. De rechtbank verwierp dit verweer en achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen. De verdachte werd echter vrijgesproken van het witwassen van het geld, omdat zijn verklaring over de herkomst van het geld niet voldoende was weerlegd door het Openbaar Ministerie. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en bepaalde dat de verdachte zich moest houden aan verschillende bijzondere voorwaarden, waaronder een locatiegebod met elektronische monitoring. De rechtbank benadrukte de ernst van het voorhanden hebben van vuurwapens, maar hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn familie en de mogelijkheid tot reclassering.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-205661-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[woonadres] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. I Bouhdan en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 juli 2025:
feit 1:twee pistolen voorhanden heeft gehad;
feit 2:kogelpatronen voorhanden heeft gehad;
feit 3:€ 7.100,00 heeft witgewassen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Voor de feiten 1 en 2 vindt de verdediging primair dat de pistolen en munitie onrechtmatig zijn verkregen en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daardoor kan alleen vrijspraak volgen. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 3 bepleit de verdediging vrijspraak, omdat verdachte een concrete, verifieerbare en geloofwaardige verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1 en 2: voorhanden hebben pistolen en munitie
Onrechtmatig verkregen bewijs?
Volgens de verdediging heeft de politie de auto doorzocht, terwijl er geen verdenking bestond van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv). Alleen bij zo’n verdenking geeft artikel 96b Sv opsporingsambtenaren de bevoegdheid een vervoermiddel te doorzoeken. Er blijkt uit het dossier niet meer dan dat de politie een sterke hennepgeur in en rond de auto rook, waar verdachte in zat toen hij door de politie werd aangesproken. Hij heeft toen meteen gezegd dat hij een joint had gerookt. Concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van (meer) hennep waren er niet. Dat is onvoldoende voor een misdrijfverdenking als vereist. De door de onrechtmatige doorzoeking verkregen pistolen en munitie mogen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs.
De rechtbank stelt vast dat op 5 juli 2025 omstreeks 19.00 uur de verdachte zijn auto parkeerde vlakbij een brandend pand aan [adres 1] in Tilburg . Hij stapte direct uit en rende naar de [adres 2] en ging daar binnen. Hij kwam er binnen een minuut weer uit en droeg toen een plastic tas met inhoud van de Albert Heijn, die hij via de achterzijde van zijn auto in zijn auto legde. Een omstander nam vervolgens een sterke weedgeur waar toen zij vlakbij de auto van verdachte (met open bestuurdersraam) stond en ook diverse verbalisanten hebben een sterke weed/hennepgeur geroken bij en/of vanuit de auto. Tot slot bleek op de middenconsole van de auto een joint te liggen.
De rechtbank oordeelt dat de door diverse personen waargenomen sterke weedgeur voldoende basis was om redelijkerwijs te vermoeden dat in de auto middelen als bedoeld op lijst II bewaard werden of aanwezig waren. Daarom hadden de opsporingsambtenaren op basis van artikel 9 lid 2 Opiumwet toegang tot de auto en waren zij vervolgens op basis van lid 3 bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen, zoals voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. De bevoegdheid voor de hand aangetroffen voorwerpen in beslag te nemen, impliceert de bevoegdheid deze voorwerpen te onderzoeken en vervolgens het beslag te beperken tot hetgeen in die voorwerpen wordt aangetroffen. Dat gold ook voor de achter de bijrijdersstoel liggende plastic Albert Hein tas. De twee (halfgeladen) pistolen die in de tas bleken te zitten, zijn dan ook rechtmatig verkregen. Het betreffende verweer wordt verworpen. Gelet op de bewijsmiddelen kunnen feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er geen sprake is geweest van een doorzoeking bij het kijken in de plastic tas die in de auto van verdachte achter de bijrijdersstoel lag.
Feit 3: witwassen?
De rechtbank stelt vast dat in de hiervoor al genoemde plastic tas met (half doorgeladen) pistolen ook een bivakmuts en handschoenen zaten. Verdachte had op dat moment
€ 7.100,00 in zijn linker broekzak: 68 biljetten van € 50,00, 1 van € 100,00 en 18 van
€ 200,00. Van algemene bekendheid is dat biljetten van € 200,00 niet gangbaar zijn in het legale betalingsverkeer. Bovendien zaten in dezelfde broekzak 17 Lebara simkaarten en twee mobiele telefoons. In een rugzak in de auto werden nog zes telefoons en twee simkaarten aangetroffen.
De officier van justitie voert aan dat er geen rechtstreeks verband is te leggen tussen het geld en een bepaald (genoemd) misdrijf. Toch kan dan bewezen worden dat het geld van een misdrijf afkomstig is als het niet anders kan zijn dan dat dat geld uit enig misdrijf afkomstig is. Om tot dat oordeel te kunnen komen dient de rechtbank het stappenplan uit arresten van de Hoge Raad af te lopen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hoeveelheid geld en de coupures in combinatie met de andere hiervoor genoemde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Vervolgens mag van verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat het geld is wat hij gespaard heeft met zijn werk. Daarnaar heeft de officier van justitie onderzoek laten doen waarin met name de transacties op de bankrekeningen van verdachte zijn onderzocht. Die transacties kunnen volgens de officier van justitie het geldbedrag niet verklaren. De verklaring van verdachte dat hij in de ICT werkt en (ook) een eigen bedrijf heeft dat inkomsten genereert, klopt volgens dat onderzoek niet met de gegevens uit de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen. Uit onder andere data van de belastingdienst blijkt dat zijn bedrijf geen inkomsten genereerde.
De raadsman heeft voor de zitting echter stukken ingebracht die het verrichten van ICT -werkzaamheden via het eigen bedrijf van verdachte ondersteunen. Verdachte zelf heeft toegelicht dat hij die inkomsten niet opgaf aan de belasting en dat deed hij ook niet met zijn inkomsten uit een handel in telefoons. Een laatste deel van het bedrag zou bestaan uit geld dat hij van familie heeft gekregen voor bijvoorbeeld zijn verjaardag.
Mede gelet op de omvang van het bedrag is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring van verdachte onvoldoende wordt weerlegd door het onderzoek dat de officier van justitie heeft laten verrichten. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de witwasvarianten die zijn opgenomen onder feit 3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verklaring van verdachte dat hij inkomsten niet aan de belastingautoriteiten heeft opgegeven, betekent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig schuldwitwassen: het voorhanden hebben van geld dat (in ieder geval deels) van een eigen (fiscaal) misdrijf afkomstig is. Die witwasvariant is echter expliciet noch impliciet ten laste gelegd en kan ook niet ingelezen worden binnen de grenzen van de tenlastelegging.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 5 juli 2025 te Tilburg wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- Pistool, van het merk Fabrique National d'armes de guerre (FN) , type 1922, kaliber 7,65 mm Browning (Br.) en
- Pistool, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber Origineel 9 mm P.A.K, nu 6,35 mm Browning (Br.),
zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 5 juli 2025 te Tilburg munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 7 kogelpatronen, centraalvuur van het kaliber 7,65 mm Br. en
- 7 kogelpatronen, centraalvuur van het kaliber 6,35 mm Br.,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan zijn voorarrest op de dag van de uitspraak.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag wat een passende straf voor verdachte is kijkt de rechtbank naar de ernst van de bewezen feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feitenVerdachte had op 5 juli 2025 twee (half) doorgeladen pistolen in zijn auto liggen. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen dat verdachte ze ook daadwerkelijk zou zijn gaan gebruiken als hij niet was aangehouden. Dat doet echter niet af aan de ernst van het feit. In Nederland is met name het ook daadwerkelijk gebruiken van scherpschietende wapens de laatste jaren toegenomen. Daar worden bewust slachtoffers mee gemaakt, maar het zorgt ook regelmatig voor (levens)gevaar voor anderen dan het beoogde slachtoffer. Het is dan ook niet voor niets dat de oriëntatiepunten van de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het voorhanden hebben van één pistool in een woning is het oriëntatiepunt vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en acht maanden bij het voorhanden hebben in de openbare ruimte. Onder openbare ruimte valt ook een auto op de openbare weg, zoals bij verdachte het geval was.
In het voordeel van de verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat de pistolen alleen in zijn auto lagen, omdat hij ze veilig wilde stellen vanwege een brand bij de buren. In het nadeel van verdachte weegt dat de pistolen (half)geladen waren en dat ze zijn aangetroffen in een plastic zak met een bivakmuts en handschoenen. Dat betekent dat de rechtbank in beginsel uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden per pistool.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest en veroordeeld voor strafbare feiten uit de Wegenverkeerswet, maar hij heeft niet eerder vastgezeten. De rechtbank heeft op zitting een verdachte gezien en gehoord op wie zijn ruim vijf maanden voorarrest een diepe, negatieve indruk hebben gemaakt. Als hij vrij komt zal hij zorgen dat hij daar nooit meer in terecht komt en dat hij zijn ouderlijk gezin niet meer teleurstelt. Meerdere oudere broers, een zus en zijn moeder waren ook aanwezig bij de zitting. De rechtbank heeft op zitting al zijn waardering daarvoor uitgesproken. Door die aanwezigheid hebben zij ook alles gehoord wat er op zitting is besproken en gezegd en kunnen zij hun ‘broertje’ extra in de gaten houden als die weer vrij komt en helpen bij een niet strafbare invulling van zijn leven. Dit zijn omstandigheden die de rechtbank sterk in het voordeel van verdachte meeweegt.
Ook de reclassering ziet mogelijkheden om verdachte te helpen. In het advies van 2 december 2025 schrijft de reclassering geen delictpatroon te zien en dat verdachte bij de politie evenmin bekend is voor aan de tenlastelegging gerelateerde feiten. Zodra verdachte vrijkomt, wil hij zijn hbo-studie en eigen onderneming voortzetten. De reclassering ziet risicoverhogende factoren in het sociale netwerk van verdachte in combinatie met zijn psychosociaal functioneren. Het is de reclassering niet duidelijk of verdachte zich nog actief inlaat met de jongens uit zijn oude buurt die een slechte invloed op hem zouden hebben. Bij invrijheidstelling zal verdachte bij zijn moeder in [plaats] gaan wonen en in combinatie met het sociale netwerk en psychosociale functioneren van verdachte maakt dat dat de reclassering deze huisvesting als een mogelijke risicoverhogende factor ziet. Zijn verslaving aan blowen voor zijn aanhouding en voorarrest ziet de reclassering als aandachtspunt. Wegens de deels ontkennende houding van verdachte (voor feit 3, rechtbank) is het de reclassering onduidelijk of sprake is van een pro-criminele houding. Door middel van reclasseringstoezicht verwacht zij daar meer zicht op te krijgen.
Het herhalingsgevaar wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. De reclassering meent door middel van interventies in een forensisch kader het herhalingsgevaar te kunnen beperken op zowel de korte als lange termijn. Zij adviseert om aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
- een meldplicht bij de reclassering;
- een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
- ambulante behandeling;
- een locatiegebod (met elektronische monitoring) en
- meewerken aan middelencontrole.
Verdachte heeft op zitting uitdrukkelijk verklaard aan alle voorwaarden mee te willen werken. Dus ook aan het locatiegebod voor de geadviseerde twee jaar, wat feitelijk een grote beperking van zijn bewegingsvrijheid zal betekenen.
Strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden is. Daarvan zullen zes maanden voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar en de hierboven vermelde bijzondere voorwaarden. De voorwaardelijke straf is bedoeld om verdachte te stimuleren niet het verkeerde pad te kiezen en biedt de mogelijkheid voor verschillende vormen van ondersteuning. Vanwege de stevige vrijheidsbeperking van het locatiegebod zal de rechtbank de duur daarvan beperken tot maximaal zes maanden. Dat moet genoeg zijn om verdachte op het rechte pad te zetten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.Het beslag

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van het onder verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen contante geldbedrag ter hoogte van € 7.100,-.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde witwassen van het geld. Omdat er ook geen verband kan worden gelegd tussen het geld en het wel bewezen verklaarde voorhanden hebben van twee pistolen en munitie ontbreekt een grondslag voor de gevorderde verbeurdverklaring. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 3 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
meermalen gepleegd;
feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 in Tilburg . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte, indien de reclassering het nodig acht, actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* dat verdachte zich, indien de reclassering het nodig acht, laat behandelen door ambulant forensisch centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de intake. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
* dat verdachte op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. in de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [woonadres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.
De elektronische monitoring geldt voor maximaal zes maanden of zoveel korter als de reclassering nodig acht;
* dat verdachte, indien de reclassering het nodig acht, meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van:
* 7.100,00 EURO (BZAN5276);
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 31 december 2025.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Tilburg , een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- Pistool, van het merk Fabrique National d'armes de guerre (FN) , type 1922, kaliber 7,65 mm Browning (Br.) en/of
- Pistool, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber Origineel 9 mm P.A.K, nu 6,35 mm Browning (Br.),
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Tilburg , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 7 kogelpatronen, centraalvuur van het kaliber 7,65 mm Br. en/of
- 7 kogelpatronen, centraalvuur van het kaliber 6,35 mm Br.,
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Tilburg , van een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 7100 euro, althans een geldbedrag,
-de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
-heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
-heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )