ECLI:NL:RBZWB:2025:9437

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
02-191636-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorbereiding en bevordering van de productie van MDMA met behulp van tabletteermachines en cellulose

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het voorbereiden en bevorderen van de productie van MDMA. De verdachte had in een door hem gehuurde loods drie tabletteermachines en 3000 kilo cellulose voorhanden. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, door geen actie te ondernemen na de ontdekking van deze situatie, strafrechtelijk verantwoordelijk was voor de gevolgen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 17 december 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden op. De rechtbank weegt hierbij de ernst van het feit en de rol van de verdachte in de georganiseerde drugshandel mee. De verdachte had wetenschap van de aanwezige goederen en had de beschikkingsmacht over deze goederen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte strafbaar was en dat er geen feiten of omstandigheden waren die zijn strafbaarheid uitsloten. De beslissing is gebaseerd op artikel 10a van de Opiumwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-191636-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. P. Lootsma, advocaat te 's-Gravenhage.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. I. Bouhdan en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 juni 2025 de productie van en handel in MDMA heeft voorbereid, dan wel bevorderd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt vast dat op 6 juni 2025 een doorzoeking plaatsvond van de loods op het perceel [adres] . In de loods werden drie tabletteermachines en andere voorwerpen aangetroffen voor het tabletteren van xtc-pillen. Buiten de loods stonden drie pallets met ieder 20 zakken cellulose van 50 kilo per stuk. Het perceel inclusief de loods was van 1 september 2024 tot en met 31 augustus 2025 verhuurd aan verdachte. Verdachte heeft op 4 juni 2025 in de middag de pillenmachines (
rechtbank: tabletteermachines) in de loods gezien.
Vanaf dat moment op 4 juni 2025 had verdachte wetenschap van de “pillenmachines” en heeft hij daarmee in ieder geval willens en wetens het risico genomen dat er nog andere voorwerpen en/of stoffen in de (nabijheid van) de loods aanwezig zouden zijn voor het tabletteren van xtc-pillen. Als huurder had hij daar vanaf dat moment ook de beschikkingsmacht over. Dat hij kort daarna het terrein heeft verlaten, doet daar niet aan af. Het komt strafrechtelijk voor zijn rekening en risico dat hij na de ontdekking geen actie heeft ondernomen om een einde te maken aan deze strafbare situatie. De politie is pas op 6 juni 2025 in actie kunnen komen na een melding van een derde op 5 juni 2025 om 23:28 uur.
Op grond van het bovenstaande kan het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 4 en 5 juni 2025 te Roosendaal om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bewerken
van MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- tabletteermachines en
- stempels en
- jerrycans en
- ontstoffingsmachines en
- roermotoren en
- speciekuipen en
- wasemmers en
- zakken Microcrystalline cellulose
voorhanden te hebben.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf maanden en een geldboete van € 5.000,-.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Indien de rechtbank van oordeel is dat dat niet volstaat, dan verzoekt de verdediging daarbovenop een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden en/of bevorderen van het bewerken van MDMA. In de door verdachte gehuurde loods is een pillendraaierij aangetroffen met daarin meerdere goederen en stoffen, geschikt voor het op zeer grote schaal bewerken van MDMA-pillen. Verdachte heeft van deze goederen en stoffen ten minste twee dagen wetenschap gehad en hij had daarover ook de beschikkingsmacht.
Het is algemeen bekend dat harddrugs verslavend en schadelijk voor de volksgezondheid zijn. De ervaring leert ook dat de georganiseerde drugshandel gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit en dat daarvan in toenemende mate een ondermijnend effect uitgaat. Verdachte kan met zijn rol medeverantwoordelijk worden gehouden voor deze gevolgen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij is gedagvaard voor een eerder opiumwetdelict. In die zaak is nog geen vonnis gewezen.
Verdachte is ter zitting verschenen, maar heeft daar geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten geen ruimte laat voor een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf allereerst aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank rekening met de rol van verdachte en met de korte tijd waarvan is vastgesteld dat hij wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de aangetroffen goederen. De rechtbank ziet geen reden voor een voorwaardelijk strafdeel. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden en legt deze straf aan verdachte op.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 10a van de Opiumwet zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te
bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij
weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van
dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 10 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 31 december 2025.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Roosendaal om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van 3,4-methyleendioxymethamfetamine en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door meerdere, althans een,
- tabletteermachines en/of
- stempels en/of
- jerrycans en/of
- ontstoffingsmachines en/of
- roermotoren en/of
- speciekuipen en/of
- wasemmers en/of
- zakken Microcrystalline cellulose
voorhanden te hebben;