ECLI:NL:RBZWB:2025:9478

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/02/411128 / FA RK 23-3004
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijf en aanhouding wijziging zorgregeling in afwachting van verloop ondertoezichtstelling

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, uitspraak gedaan in een zaak betreffende de wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling van de minderjarige [minderjarige]. De vrouw, vertegenwoordigd door mr. F.J.I. van den Branden, en de man, vertegenwoordigd door mr. M. Kalle, hebben beiden een verzoek ingediend met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016. De rechtbank heeft vastgesteld dat [minderjarige] al geruime tijd bij de man woont en dat het goed met haar gaat in zijn zorg. De man heeft zich actief ingezet voor de opvoeding en biedt structuur en stabiliteit, wat in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De vrouw heeft verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en het hoofdverblijf bij de man vastgesteld. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk van kracht is, ongeacht een eventueel hoger beroep. De rechtbank heeft de beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van een concreet plan van de GI voor de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw. De rechtbank heeft benadrukt dat het belangrijk is om duidelijkheid en stabiliteit te bieden voor [minderjarige].

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/411128 / FA RK 23-3004
datum uitspraak: 30 december 2025
(nadere) beschikking over wijziging hoofdverblijf en wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden in Terneuzen (voorheen: mr. A.I. Cambier te Axel),
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle in Middelburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven ,
hierna te noemen: de GI.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg ,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de briefrapportage met bijlagen van de GI van 28 november 2024;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 19 december 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man van 19 december 2024;
- het verkort proces-verbaal van de behandeling ter zitting met gesloten deuren van de rechtbank te Middelburg op 24 december 2024;
- het F9-formulier van mr. Van den Branden van 31 oktober 2025;
- de brief met bijlagen van mr. Van den Branden, ontvangen op 11 december 2025.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 17 december 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook waren er namens de GI een tweetal vertegenwoordigsters aanwezig en een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3
De zaak is vanwege de samenhang gelijktijdig behandeld met zaaknummer
C/02/442138 / JE RK 25-2059. Op dat zaaknummer is per separate beschikking beslist.
1.4
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft, in het bijzijn van de [kindbehartiger] , een gesprek met de rechter gehad.

2.De (verdere) beoordeling

2.1
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , van 19 januari 2024 is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar waarbij de aard, duur en frequentie onder regie van de GI nader zal worden uitgewerkt, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.7.3 van die beschikking. De beslissing op de verzoeken van de vrouw is verder aangehouden tot 3 december 2024 pro forma.
2.2
Vervolgens zijn de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de zorgregeling met de man en het inmiddels eveneens ingediende zelfstandige verzoek van de man ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] tijdens de zitting op 24 december 2024 besproken en hebben partijen en de GI afspraken gemaakt over onder andere het contact tussen [minderjarige] en de vrouw gedurende de kerstvakantie 2024. Daarnaast is besproken dat de voorlopige zorgregeling - zoals vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2024 - voorlopig geldend blijft, waarbij het gaat om een minimumregeling en de GI blijft bekijken of en op welke manier de contacten tussen [minderjarige] en de vrouw kunnen worden uitgebreid en of het contact ook onbegeleid kan plaatsvinden. Verder is afgesproken dat tijdens de vakanties [minderjarige] een extra omgangsmoment met de vrouw heeft en dat er op de verjaardag van [minderjarige] en de vrouw in elk geval een belmoment is en indien mogelijk fysiek contact. De definitieve beslissingen met betrekking tot hoofdverblijf en zorgregeling zijn aangehouden.
2.3
Bij F9-formulier van 31 oktober 2025 heeft mr. Van den Branden laten weten dat het contact tussen [minderjarige] en de vrouw de afgelopen elf maanden niet is uitgebreid en dat de regeling zoals die toen werd gevolgd, te weten één begeleid bezoek per week (op woensdag van 13:15 tot 16:30 uur) nog steeds zo wordt uitgevoerd. De vrouw en [minderjarige] hebben behoefte aan duidelijkheid omtrent de uitbreiding van het contact en het onbegeleid laten doorgaan daarvan. Op 11 december 2025 heeft mr. Van den Branden, ter onderbouwing van het standpunt van de vrouw, diverse stukken ingediend te weten brieven van [stichting] , het hulpverleningsplan van [hulpverlening] , de verslagen van begeleide bezoeken vanaf 8 oktober 2025, de brief van [zorgorganisatie] en het behandelplan [hulpverlening] speltherapie.
2.4
Door en namens de vrouw is tijdens de zitting verzocht om de zaak voor de duur van drie maanden aan te houden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. In het kader van de zorgregeling is door en namens de vrouw naar voren gebracht dat het contact tussen [minderjarige] en de vrouw in het afgelopen jaar niet is uitgebreid en dat zij zelfs minder contact dan het jaar daarvoor hebben gehad. Er hebben enkele onbegeleide bezoeken plaatsgevonden, maar dat is door de GI in mei 2025 stopgezet. Door de GI wordt op dit moment geen perspectief aan [minderjarige] en de vrouw geboden over of en wanneer het contact wordt uitgebreid dan wel onbegeleid zal zijn. De vrouw vindt het belangrijk dat de GI binnen de ondertoezichtstelling duidelijkheid gaat creëren en met een concreet plan en voorwaarden voor de uitbreiding van het contact komt. Ten aanzien van het hoofdverblijf is aangegeven dat [minderjarige] feitelijk al langere tijd bij de man woont, maar dat het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man op dit moment een averechts effect kan hebben gelet op het feit dat [minderjarige] de vrouw mist en zij niet begrijpt waarom de situatie is zoals die is.
2.5.
Door en namens de man is verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen. De man benadrukt allereerst dat het nooit de bedoeling is geweest om [minderjarige] bij de vrouw weg te halen. In 2018 heeft hij er ook mee ingestemd dat [minderjarige] bij de vrouw zou gaan wonen. In mei 2022 hebben partijen het ouderschapsplan echter gewijzigd en afgesproken dat het hoofdverblijf van [minderjarige] voor de periode van ten minste één jaar wordt gewijzigd naar de man in verband met de alcoholverslaving en psychische gesteldheid van de vrouw. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij de man en het gaat goed met [minderjarige] bij de man thuis; [minderjarige] kan zich uiten bij de man, de man spreekt niet negatief over de vrouw en hij denkt mee in mogelijkheden om het contact tussen [minderjarige] en de vrouw uit te breiden. Zo heeft [minderjarige] bij de man aangegeven dat zij haar moeder mist en dat heeft geleid tot een extra videobelmoment tussen [minderjarige] en de vrouw. Bij de vrouw zijn er situaties gebeurd die niet goed waren en het afgelopen jaar is dat niet anders geweest. Door en namens de man is aangegeven dat [minderjarige] duidelijkheid nodig heeft, beginnend bij haar hoofdverblijf. Zodra het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man is bepaald, kan binnen de ondertoezichtstelling verder worden gekeken naar de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw. De man staat immers achter een uitbreiding hiervan, maar stelt dat het wel veilig moeten zijn. Onbegeleid contact vindt de man voor nu nog niet passend. Namens de man is daarom verzocht om de beslissing ten aanzien van de zorgregeling voor de duur van zes maanden aan te houden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. Dit zodat de GI binnen die tijd met een concreet plan en voorwaarden over de uitbreiding van het contact kan komen.
2.6
In het kader van het hoofdverblijf van [minderjarige] heeft de GI aangegeven dat het erg goed met [minderjarige] bij de man gaat. In de thuissituatie van de man is IPT betrokken geweest en volgens de IPT’er heeft de man grote stappen gezet. De man kan goed met [minderjarige] praten en haar ook sturen en begrenzen. De GI staat achter het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man, maar vindt het ook belangrijk om te blijven kijken of een gedeeltelijke plaatsing van [minderjarige] bij de vrouw mogelijk is. Ten aanzien van de zorgregeling heeft de GI aangegeven dat er sinds kort een uitbreiding in het contact tussen [minderjarige] en de vrouw is. Naast het wekelijkse contactmoment op de woensdag van 13:15 tot 16:30 uur is er een videobelmoment, hetgeen partijen samen regelen. Vanuit de IPT is aangegeven dat de begeleide contactmomenten op dit moment positief verlopen en juist daarom is geadviseerd om het contact voorlopig begeleid te houden. Er is bij de vrouw een patroon zichtbaar, waarbij er een escalatie bij [minderjarige] plaatsvindt of [minderjarige] zorgelijke uitspraken doet zodra er wordt uitgebreid of het contact onbegeleid wordt. In mei 2025 is dit ook het geval geweest, waarna de GI heeft besloten dat het contact weer begeleid zal zijn. De GI vindt het belangrijk dat het contact langer wordt begeleid, maar geeft wel aan dat zij het contact wil uitbreiden. Om die reden zijn [minderjarige] en de vrouw recent aangemeld bij 10 voor Toekomst in het kader van omgangsbegeleiding. Verder is de GI bereid om in de komende zes maanden binnen de ondertoezichtstelling een concreet plan met voorwaarden te maken over de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw.
2.7
De Raad adviseert om duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] te bieden en daarmee te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man zal zijn. Uit de stukken volgt dat [minderjarige] al langere tijd bij de man woont en dat het goed gaat met [minderjarige] bij de man. De man sluit goed bij [minderjarige] aan en zij gedijt bij de structuur en rust die de man haar biedt. Ten aanzien van de zorgregeling merkt de Raad op dat het perspectief voor [minderjarige] en de vrouw ontbreekt, vooral nu het contact nog steeds begeleid is. De Raad vindt het een goed idee dat de GI de komende periode een concreet plan met voorwaarden gaat maken.
2.8
Ter beoordeling aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] , in afwijking van de in mei 2022 gemaakte afspraak, vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar na de zomervakantie van 2023 bij de vrouw zal zijn, alsmede een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij de man verblijft ieder weekend om de veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij het (naar de rechtbank begrijpt) vervoer voor rekening van de man komt. Ook ligt ter beoordeling aan de rechtbank voor het zelfstandige verzoek van de man om te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man zal zijn.
2.9
Voorop wordt gesteld dat deze beschikking in samenhang met de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 december 2025 met zaaknummer
C/02/442138 / JE RK 25-2059gelezen dient te worden. In deze beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden verlengd onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen in mei 2022 - in afwijking van het in oktober 2018 opgestelde en ondertekende ouderschapsplan - een aanvullend ouderschapsplan hebben opgesteld en ondertekend, waarin onder andere is opgenomen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] voor de periode van ten minste één jaar wordt gewijzigd naar de man in verband met de alcoholverslaving en psychische gesteldheid van de vrouw, waar zij in alle rust en met de juiste hulp aan gaat werken om de problematiek te overwinnen en dan weer goed voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Partijen hebben afgesproken dat [minderjarige] wordt ingeschreven op het adres van de man en dat hij de algehele zorg voor [minderjarige] zal dragen. Afgesproken is ook dat na het jaar met de vrouw en specialisten en hulp zal worden geëvalueerd of de periode verlengd moet worden of dat het zo goed gaat met de vrouw dat [minderjarige] weer terug bij haar kan gaan wonen. Het is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] op dit moment nog steeds, en daarmee dus al mimimaal drieënhalf jaar, bij de man woont en dat de opvoedsituatie bij de man voor [minderjarige] veilig wordt geacht. Uit de informatie van de GI en hetgeen ter zitting is besproken, volgt dat de man zich inzet om een goede vader voor [minderjarige] te zijn. Hij zorgt voor een adequate verzorging van [minderjarige] , geeft [minderjarige] de ruimte om zichzelf te uiten, spreekt niet negatief over de vrouw en staat open voor een uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw mits dit veilig is. Gebleken is verder dat de man samenwerkt met de GI en dat hij zich open, actief en begeleidbaar richting de hulpverlening heeft opgesteld. In juli 2025 is het IPT-traject bij de man afgerond. Uit het eindverslag van de IPT volgt onder meer dat de man gedurende het traject grote stappen heeft gezet. Zo herkent de man het gedrag van [minderjarige] steeds beter en reageert hij passender op [minderjarige] door emoties te benoemen en haar te helpen reguleren. De man kan [minderjarige] goed sturen en begrenzen, als zij bijvoorbeeld boos of verdrietig is en gebleken is dat [minderjarige] veel baat heeft bij de rust en structuur die de man aan haar biedt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de man [minderjarige] ook emotionele bescherming biedt. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat er duidelijkheid, rust en zekerheid voor zowel partijen als [minderjarige] over haar hoofdverblijf komt. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man worden bepaald. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar zal afwijzen en daarmee het zelfstandige verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen zal toewijzen. De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep tegen de beslissing.
2.11
Zoals door partijen is verzocht, zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling. In de zaak met zaaknummer
C/02/442138 / JE RK 25-2059heeft de kinderrechter beslist om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor zes maanden te verlengen onder aanhouding van het restant. Met de aanwezigen is tijdens de zitting afgesproken dat de GI in de komende zes maanden een concreet plan met voorwaarden voor de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw gaat maken, waarbij aandacht voor zowel de frequentie en duur als voor het al dan niet hebben van onbegeleide contactmomenten moet zijn. Bij het opstellen van dit concrete plan dienen beide ouders betrokken te worden en ook dienen er (vaste) evaluatiemomenten te worden gepland. Duidelijk voor de vrouw moet in ieder geval zijn wat er van haar wordt verwacht om de volgende stap in het contact met [minderjarige] te kunnen zetten. Als blijkt dat de volgende stap (nog) niet kan worden gezet, moet de GI aan de vrouw uitleggen waarom dit nog niet kan en wat de vrouw moet veranderen. In het plan moet ook het belang en tempo van [minderjarige] worden meegenomen. Alle aanwezigen hebben met dit voornemen ingestemd. In afwachting van dit concrete plan met voorwaarden en de ontwikkelingen in de komende zes maanden binnen de ondertoezichtstelling wordt de beslissing ten aanzien van de zorgregeling tot de hierna te noemen zitting aangehouden.
2.12
Nu die beslissing zal worden aangehouden, wordt de GI verzocht om uiterlijk één week voorafgaand aan de hierna te noemen zitting de briefrapportage die de GI in de zaak met zaaknummer
C/02/442138 / JE RK 25-2059moet overleggen, ook in deze zaak in te dienen. Daarna kunnen partijen hierop reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop aan de rechtbank doen toekomen. Ter gelegenheid van de hierna te noemen zitting zal tevens het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met zaaknummer
C/02/442138 / JE RK 25-2059worden behandeld.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt, onder wijziging van het ouderschapsplan van 5 oktober 2018, voor zover het betreft het hoofdverblijf van [minderjarige] , en het door de ouders op d.d. 8 mei 2022 ondertekende aanvullende ouderschapsplan voor wat betreft de tijdelijkheid van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man, dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, haar hoofdverblijf bij de man heeft;
3.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
houdt de beslissing ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een (definitieve) zorgregeling aan tot de
zitting van [datum] 2026 om [uur], welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , Kousteensedijk 2 (4331 JE) , ten overstaan van mr. Dijkman, rechter, voor de duur van 75 minuten en in afwachting van een schriftelijke update van de GI en de reactie daarop van partijen en het door hen gewenste verdere procesverloop zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.12 (een en ander dient uiterlijk 19 juni 2026 aan de rechtbank te worden toegestuurd);
3.4
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de Raad, de man en zijn advocaat en de vrouw en haar advocaat;
3.5
bepaalt dat [minderjarige] per aparte brief zal worden uitgenodigd voor een kindgesprek;
3.6
behoudt zich iedere nadere beslissing met betrekking tot de zorgregeling voor;
3.7
wijst het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.