Uitspraak
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
1.Het procesverloop
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2025, waarbij voormelde rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard en deze zaak heeft verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , en alle daarin vermelde stukken;
- het op 5 november 2025 ingekomen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
- de vrouw, bijgestaan door mr. Demir;
- de man, bijgestaan door mr. Van Fraaijenhove-van der Maas;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
2.De feiten
- de minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw (artikel 2.1);
- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over de minderjarigen, heeft de man één weekend - in de even weken - per veertien dagen van vrijdag 16:00 uur tot zondag 18:00 uur de zorg over de minderjarigen. Daarnaast eten de minderjarigen één keer per week bij de man, waarbij de man een dag van te voren aan de vrouw laat weten welke dag dit zal zijn. Vakanties, feestdagen en bijzondere dagen worden bij helfte en in onderling overleg verdeeld (artikel 3.1);
- het hoofdverblijf van de minderjarigen is per 1 september 2023 bij de man gelegen (artikel 1.1);
- de minderjarigen verblijven ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur bij de vrouw. De vakanties, de feestdagen en de bijzondere dagen blijven bij helfte verdeeld (artikel 2.1).
3.De verzoeken
primair:het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat de vrouw voortaan is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen;
4.De standpunten
5.De beoordeling
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat de minderjarigen erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren, of is het om een andere reden in het belang van de minderjarigen om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
- Welke vorm van contact met de minderjarigen past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
- Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
6.De beslissing
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017,
dinsdag 8 september 2026 PRO FORMA;
naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbankvoor verdere beoordeling en beslissing op de resterende verzoeken;
mr. van de Kraats, voorzitter, mr. Sumner en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.