Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties.
2.De feiten
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke inmiddels is beëindigd;
- zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] ;
- [minderjarige] verbleef aanvankelijk bij de vrouw. Op 6 november 2024 zijn partijen, in het kader van een kort gedingprocedure bij de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, overeengekomen dat [minderjarige] voorlopig bij de man verblijft. Ook zijn partijen een door familie begeleide zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] overeengekomen;
- bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 25 juli 2025 is aan de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [woonplaats 1] , voor aanmelding van [minderjarige] bij hulpverlening, voor een vakantie en voor het laten afgeven van zijn identiteitsbewijs. Ook is een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] bepaald onder begeleiding van [jeugdhulpverlening] , dan wel een door hen aan te wijzen jeugdhulpverleningsinstantie;
- Op 3 december 2025 is een verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen haar en [minderjarige] en het zelfstandige verzoek van de man tot eenhoofdig gezag behandeld door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De beschikking in die zaak wordt in januari 2026 verwacht.
3.Het geschil
- de vrouw te verbieden zich te bevinden in de bebouwde kom van [woonplaats 1], waarvan uitgezonderd het passeren via de Rijksweg A2 en het gebruik van het NS-station [woonplaats 1] ten behoeve van doorreis, en het [recreatiepark] , voor twee jaar;
- een onmiddellijk contactverbod voor de vrouw ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , inhoudende dat het de vrouw verboden is om direct of indirect contact te zoeken, te hebben of te onderhouden met [minderjarige] , behoudens voor zover toegestaan door de man, dan wel een hulpverlenende instantie;
- zowel het gebiedsverbod als het contactverbod op straffe van een dwangsom van € 500,= per overtreding, met een maximum van € 10.000,=.