ECLI:NL:RBZWB:2025:9517

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
24/3629
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaak en vergoeding griffierecht

In deze zaak heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op € 315.000 per 1 januari 2022. Deze waardevaststelling leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, maar de heffingsambtenaar verklaarde dit bezwaar ongegrond. Hierop heeft belanghebbende beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 18 december 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was en de heffingsambtenaar vertegenwoordigd werd door mr. B. de Smit via een telefoonverbinding. De rechtbank heeft na de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar in beroep een nieuwe waardering heeft ingediend, wat volgens de rechtbank is toegestaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar twee referentiewoningen heeft gebruikt die goed vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, waardoor het beroep inhoudelijk ongegrond is verklaard.

Desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden, omdat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase onjuiste gegevens heeft gebruikt met betrekking tot de oppervlakte van de woning. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven bereid te zijn zijn beroep tegen de WOZ-beschikking van 2024 in te trekken als het griffierecht wordt vergoed. De rechtbank heeft deze uitspraak openbaar gedaan en een afschrift van het proces-verbaal naar de partijen verzonden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3629
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak op het [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 315.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Terneuzen voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Als gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft mr. B. de Smit via een telefoonverbinding deelgenomen aan de zitting.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft in beroep een nieuwe waardering overgelegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het daardoor een onnodig lange procedure is geworden. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat het de heffingsambtenaar is toegestaan om ook in beroep een gewijzigde of aanvullende onderbouwing van de vastgestelde waarde in te brengen. Het spijt de rechtbank dat de procedure zo lang heeft geduurd, maar dat heeft vooral te maken met de grote werkvoorraad bij de rechtbank.
2.1.
De WOZ-waarde van een woning wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Uit de in beroep overgelegde waardering blijkt dat de heffingsambtenaar twee referentiewoningen heeft gebruikt die zijn gelegen in dezelfde straat als de woning van belanghebbende en van hetzelfde woningtype zijn. De rechtbank acht deze referentiewoningen goed vergelijkbaar. Ook de derde gebruikte woning in [plaats] is voldoende vergelijkbaar. De eerder gebruikte referentiewoning in Zaamslag, waar belanghebbende bezwaar tegen had, speelt daarmee geen rol meer in de waardering.
2.2.
Verder heeft de heffingsambtenaar bij de nieuwe waardering rekening gehouden met de verschillen in de voorzieningen. De woning van belanghebbende is daarbij gewaardeerd met een lager voorzieningenniveau dan de referentiewoningen. Daarnaast is de oppervlakte van de woning, waarover een verschil van mening bestond, aangepast. De nu door de heffingsambtenaar gehanteerde oppervlakte komt overeen met de door belanghebbende gemeten oppervlakte.
2.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de vastgestelde waarde van € 315.000 niet te hoog is. Het beroep is daarom inhoudelijk ongegrond.
2.4.
De rechtbank ziet echter wel aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. Vast staat dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase is uitgegaan van een onjuiste gegevens met betrekking tot de oppervlakte van de woning, waardoor belanghebbende op het verkeerde been is gezet en aanleiding had om beroep in te stellen. Deze onjuistheid is in beroep hersteld, maar de rechtbank vindt het redelijk dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
2.5.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is zijn beroep tegen de WOZ-beschikking van 2024 in te trekken als de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht vergoedt. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft toegezegd dit voor te leggen aan de heffingsambtenaar.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.