In deze zaak heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op € 315.000 per 1 januari 2022. Deze waardevaststelling leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, maar de heffingsambtenaar verklaarde dit bezwaar ongegrond. Hierop heeft belanghebbende beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 18 december 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was en de heffingsambtenaar vertegenwoordigd werd door mr. B. de Smit via een telefoonverbinding. De rechtbank heeft na de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar in beroep een nieuwe waardering heeft ingediend, wat volgens de rechtbank is toegestaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar twee referentiewoningen heeft gebruikt die goed vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, waardoor het beroep inhoudelijk ongegrond is verklaard.
Desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden, omdat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase onjuiste gegevens heeft gebruikt met betrekking tot de oppervlakte van de woning. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven bereid te zijn zijn beroep tegen de WOZ-beschikking van 2024 in te trekken als het griffierecht wordt vergoed. De rechtbank heeft deze uitspraak openbaar gedaan en een afschrift van het proces-verbaal naar de partijen verzonden.