ECLI:NL:RBZWB:2025:954
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1959 met een gebruikersoppervlakte van 77 m2, gelegen op een perceel van 136 m2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vastgesteld op € 205.000 en de aanslag OZB voor 2023 opgelegd. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de waarde maximaal € 196.000 bedraagt.
De rechtbank beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen worden gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn qua ligging, bouwjaar en oppervlakte. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix met twee referentiewoningen overgelegd, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in aanbouw, onderhoudstoestand, voorzieningen en ligging.
Belanghebbende voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde keuken en badkamer, matige onderhoudstoestand, scheurvorming en schimmel, alsmede de ligging nabij een school. De rechtbank oordeelt dat de neerwaartse correctie van 21% voor deze gebreken voldoende is en dat de waardering van de ligging op factor 2 passend is. De taxateur heeft bovendien verklaard dat er geen andere vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum beschikbaar waren.
Gelet op de onderbouwing concludeert de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde blijft gehandhaafd.