Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het allegedly door rood rijden bij een verkeerslicht in Breda op 22 januari 2024. Betrokkene voerde aan dat hij door oranje reed en dat de verbalisant de gedraging mogelijk verkeerd heeft geïnterpreteerd. Hij maakte ter plaatse video-opnames van de verkeerscyclus om aan te tonen dat het licht 3,5 seconden op oranje staat, wat voldoende tijd bood om te anticiperen.
De officier van justitie verklaarde het eerste beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. De kantonrechter oordeelde dat de verbalisant ten onrechte geen staandehouding heeft verricht, terwijl dit volgens artikel 5 van Pro de Wahv verplicht is om de identiteit van de bestuurder vast te stellen. Het ontbreken van een gegronde reden om af te zien van staandehouding maakt de boete onterecht opgelegd aan de kentekenhouder.
De kantonrechter vernietigde daarom de beschikking en de beslissing van de officier van justitie en beval terugbetaling van het betaalde bedrag van €289,- aan betrokkene. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd wegens het ontbreken van een gegronde staandehouding.