ECLI:NL:RBZWB:2025:9569

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/02/432859 FA RK 25-1243
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • M. Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om terugbetaling kinderbijslag en om vaststelling kinderalimentatie

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure tussen een man en een vrouw met betrekking tot de terugbetaling van kinderbijslag en de vaststelling van kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De man verzocht de rechtbank om te bepalen dat de vrouw de kinderbijslag die zij sinds oktober 2023 voor hun kind heeft ontvangen, aan hem moet terugbetalen, en om een maandelijkse onderhoudsbijdrage van € 250,- vast te stellen. De vrouw voerde verweer en stelde dat zij de kinderbijslag rechtmatig had ontvangen, omdat het kind in die periode nog op haar adres stond ingeschreven en zij kosten voor het kind had gemaakt.

De rechtbank overwoog dat de man het kind zonder wettelijke grondslag bij zich had gehouden en dat er geen rechterlijke uitspraak was die de inschrijving van het kind op het adres van de man ondersteunde. Hierdoor kwam de man niet in aanmerking voor de kinderbijslag met terugwerkende kracht. Wat betreft de kinderalimentatie oordeelde de rechtbank dat de vrouw, ondanks haar Wajong-uitkering, een beperkte financiële draagkracht had, maar dat de behoefte van het kind ook in aanmerking moest worden genomen. Uiteindelijk werd de vrouw vrijgesteld van het betalen van kinderalimentatie, omdat haar aandeel in de behoefte van het kind door de zorgkorting werd gecompenseerd.

De rechtbank wees het verzoek van de man af, en de beschikking werd openbaar uitgesproken door rechter M. Struijs, in aanwezigheid van griffier mr. De Wit. De uitspraak biedt inzicht in de afwegingen die de rechtbank maakt bij de beoordeling van verzoeken om kinderbijslag en alimentatie, en benadrukt het belang van wettelijke grondslagen voor de inschrijving van kinderen en de zorgverdeling tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/432859 FA RK 25-1243
31 december 2025
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
voorheen advocaat mr. J. Brouwer,
nu advocaat mr. R.A.F. Jansen.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 12 maart 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 29 juli 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brieven van mr. Van der Borst van 1 april 2025, 27 mei 2025 en 4 december 2025, waarvan laatstgenoemde met bijlagen;
- de brief van mr. Jansen van 9 december 2025 met bijlagen.
1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3. Na te noemen [minderjarige] is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag] 2008;
- [minderjarige] is door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de man;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de vrouw een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] moet voldoen.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, samengevat:
- bepaling dat de vrouw aan de man moet voldoen de kinderbijslag die zij ten behoeve van [minderjarige] sinds oktober 2023 heeft ontvangen;
- vaststelling van een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige] te betalen onderhoudsbijdrage van € 250,= per maand, met ingang van 1 november 2023.

4.De beoordeling

Kinderbijslag
4.1.
De man legt het volgende ten grondslag aan zijn verzoek ter zake de kinderbijslag. Hoewel [minderjarige] sinds oktober 2023 bij hem woont, ontvangt hij pas vanaf het vierde kwartaal van 2024 de kinderbijslag voor [minderjarige] . De vrouw heeft van oktober 2023 tot het vierde kwartaal van 2024 de kinderbijslag van [minderjarige] ontvangen, maar hiervan niets aan [minderjarige] besteed. De vrouw moet de in deze periode ontvangen kinderbijslag aan de man terugbetalen. De man heeft [minderjarige] niet eerder dan het vierde kwartaal van 2024 bij hem ingeschreven, omdat de vrouw een overschrijving van [minderjarige] steeds heeft tegengehouden en hij niet wist dat hij [minderjarige] kon overschrijven zonder de instemming van de vrouw. Toen hij van zijn advocaat hoorde dat hij [minderjarige] zonder instemming van de vrouw kon overschrijven, heeft hij dit meteen gedaan.
4.2.
De vrouw voert verweer en stelt het volgende. [minderjarige] is uit huis geplaatst geweest in een gezinshuis. Op enig moment mocht hij van de betrokken instanties ofwel in het gezinshuis blijven ofwel bij de vrouw gaan wonen. Hoewel hij niet bij de man mocht wonen, is hij vanaf oktober 2023 toch bij de man gebleven. De vrouw heeft geprobeerd om hem weer bij haar terug te krijgen, maar dit is niet gelukt. Om die reden heeft de vrouw haar medewerking aan overschrijving van [minderjarige] naar het adres van de man geweigerd; zij ging er vanuit dat [minderjarige] weer bij haar terug zou komen. De instanties hebben nog steeds hun twijfels bij het verblijf van [minderjarige] bij de man. Op enig moment heeft de man [minderjarige] achter de rug van de vrouw om ingeschreven op zijn adres. Omdat [minderjarige] van oktober 2023 tot het vierde kwartaal van 2024 nog wel op het adres van de vrouw stond ingeschreven, had de vrouw recht op de kinderbijslag voor [minderjarige] . Zij heeft in die periode ook verschillende kosten voor [minderjarige] voldaan, zoals de ouderbijdrage voor school en de voetbalcontributie. Daarnaast heeft zij in die periode vele betaalverzoekjes van [minderjarige] voor kleding, eten, drinken en sigaretten voldaan. De door haar in die periode ontvangen kinderbijslag is dus aan [minderjarige] besteed.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Kinderbijslag is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van een kind en behoort naar zijn aard in beginsel voor het volle bedrag aan het kind ten goede te komen. Het uitgangspunt is dan ook dat de ouder die de zorg voor het kind heeft en de verblijf overstijgende kosten betaalt, de kinderbijslag behoort te ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] bij de man woonde en het contact tussen [minderjarige] en de vrouw beperkt was in de periode van oktober 2023 tot het vierde kwartaal van 2024. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de vrouw de kinderbijslag voor [minderjarige] in deze periode heeft ontvangen. In beginsel behoorde de man dan ook in de periode van oktober 2023 tot het vierde kwartaal van 2024 de kinderbijslag te ontvangen, om die vervolgens aan te wenden ter bestrijding van de kosten van [minderjarige] . De rechtbank is echter van oordeel dat er in dit geval aanleiding is af te wijken van voornoemd uitgangspunt. Aan het verblijf van [minderjarige] bij de man heeft immers nooit een afspraak tussen de gezag dragende ouders of een rechterlijke uitspraak ten grondslag gelegen. Dat de vrouw nooit haar medewerking heeft verleend aan een inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man bevestigt dat. Ook heeft de man nooit in een procedure verzocht om inschrijving van [minderjarige] op zijn adres. Nu de man [minderjarige] in de betreffende periode zonder wettelijke grondslag bij zich heeft gehouden, komt hem naar het oordeel van de rechtbank niet met terugwerkende kracht de kinderbijslag voor [minderjarige] toe. Daar komt bij dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij met de kinderbijslag verblijf overstijgende kosten heeft voldaan ten behoeve van [minderjarige] . Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
Kinderalimentatie
Grondslag verzoek vaststelling alimentatie
4.4.
De man legt aan zijn verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de vrouw en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
Onderhoudsverplichting vrouw
4.5.
De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat in het kader van de berekening van de kinderalimentatie voor [minderjarige] ook rekening moet worden gehouden met haar onderhoudsverplichting jegens haar twee andere minderjarige kinderen. Los van het feit dat de rechtbank bij gebrek aan gegevens niet in staat is de behoefte van deze andere twee kinderen en de draagkracht van de vaders van deze kinderen vast te stellen, is de rechtbank van oordeel dat dit pas op de zitting door de vrouw ingenomen standpunt als tardief, en aldus in strijd met de goede procesorde, buiten beschouwing moet worden gelaten.
Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie
4.6.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van [minderjarige]
4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2009 € 335,= per maand bedroeg. Inclusief de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu (afgerond) € 488,= per maand.
Draagkracht vrouw
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een Wajong-uitkering ontvangt en dat haar netto besteedbaar inkomen (NBI) nu € 1.345,= per maand bedraagt.
4.9.
Aangezien het NBI van de vrouw lager is dan € 1.875,= per maand, zal de rechtbank conform de aanbeveling van de Expertroep Alimentatie uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,= per maand.
Draagkracht man
4.10.
De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht moet worden becijferd aan de hand van het fiscaal jaarloon volgens zijn jaaropgaaf 2024 ad € 32.103,=. Het op zijn jaaropgaaf 2024 genoemde inkomen geeft een getrouw beeld van zijn inkomen, aldus de man.
4.11.
De vrouw is van mening dat in de draagkrachtberekening moet worden uitgegaan van het loon volgens de loonstroken van de man over 2025. Dit loon komt volgens haar hoger uit dan het op de jaaropgaaf 2024 van de man vermelde loon.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat de draagkracht van de man moet worden berekend op basis van zijn meest recente loonstroken over de maanden juli en augustus 2025. Het jaar 2025 is al bijna voorbij, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om nog uit te gaan van het inkomen van de man in 2024. Volgens genoemde loonstroken heeft de man een salaris van
€ 2.722,48 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 102,11 bruto per maand. De rechtbank houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde post ‘bijtelling volgens loonstrook’ van € 27,= per maand. Volgens de loonstroken wordt er op het salaris van de man € 27,75 per maand ingehouden in verband met een fietsplan. Dit is geen relevante post in het kader van de draagkrachtberekening.
4.13.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de man met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 6.371,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.062,= per maand.
4.14.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 583,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
4.15.
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van partijen brengt mee dat de vrouw met een aandeel van 4%, te weten € 20,= per maand, moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige] van € 488,= per maand.
Zorgkorting
4.16.
De vrouw maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door haar eventueel verschuldigde kinderbijdrage en voert hiertoe het volgende aan. [minderjarige] verblijft wisselend bij haar, maar gemiddeld één dag per week. Afgelopen zomervakantie is [minderjarige] ook drie weken bij haar geweest.
4.17.
De man meent dat de vrouw geen recht heeft op een zorgkorting en stelt in dit verband het volgende. [minderjarige] is in de zomervakantie van 2025 één dag bij vrouw geweest en gaat één van de kerstdagen in 2025 naar de vrouw toe, maar hij heeft verder geen contact met de vrouw. [minderjarige] wil ook geen contact met de vrouw.
4.18.
De rechtbank overweegt als volgt. De standpunten van partijen over het verblijf van [minderjarige] bij de vrouw staan haaks op elkaar. Aangezien door de man reeds in zijn verzoekschrift is gesteld dat er (vrijwel) geen sprake is van contact tussen de vrouw en [minderjarige] , had het op de weg van de vrouw gelegen om aannemelijk te maken dat [minderjarige] met grote(re) regelmaat bij haar verblijft. Nu de vrouw dit heeft nagelaten, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een zorgkorting van 15%. Wel duidelijk is dat [minderjarige] in ieder geval incidenteel bij de vrouw verblijft. Bovendien wil de rechtbank het contact tussen [minderjarige] en de vrouw stimuleren, zodat de rechtbank het aangewezen acht om uit te gaan van een zorgkorting van 5%. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 488,= per maand, zodat de zorgkorting een bedrag beloopt van (afgerond) € 24,= per maand.
4.19.
Het aandeel van de vrouw (€ 20,=) wordt verminderd met dit bedrag (€ 24,=), zodat er voor de vrouw geen bijdrage resteert om als kinderalimentatie aan de man te voldoen.
Conclusie met betrekking tot de betalen kinderalimentatie
4.20.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige] te betalen bedrag aan kinderalimentatie afwijzen.
Berekening
4.21.
De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.