ECLI:NL:RBZWB:2025:9683

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/02/415417 / HA ZA 23-571
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Danschutter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening en afwijzing factuurvordering wegens schending informatieplicht

Eiseres vordert terugbetaling van een geldlening van €105.000 die zij op 11 januari 2021 aan gedaagde heeft verstrekt. Gedaagde betwist het bestaan van de lening, maar eiseres slaagt erin dit te bewijzen met onder meer een ondertekende overeenkomst en WhatsApp-berichten.

Gedaagde vordert in reconventie betaling van facturen voor advieswerkzaamheden. Eiseres betwist de omvang en stelt dat geen schriftelijke opdrachtbevestiging is gegeven en dat gedaagde niet heeft voldaan aan de informatieplicht over de totale prijs, zoals vereist bij consumentenovereenkomsten.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde niet heeft voldaan aan de essentiële informatieplicht uit artikel 6:230l BW en dat het prijsbeding oneerlijk is. Hierdoor kan de overeenkomst van opdracht niet in stand blijven en wordt de vordering van gedaagde afgewezen.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de lening met wettelijke rente vanaf 12 juli 2021 en tot betaling van proceskosten. De vordering tot betaling van de facturen wordt afgewezen en gedaagde draagt ook de proceskosten in reconventie.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €105.000 met wettelijke rente en proceskosten, terwijl de factuurvordering wordt afgewezen wegens schending van informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/415417 / HA ZA 23-571
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[partij 1],
wonend in [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. S.B.A. Lhachmi,
tegen
[partij 2], tevens handelend onder de naam
[advieskantoor],
wonend en zaakdoend in [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2024
- de akte tevens houdende vermeerdering van eis van [partij 2]
- het getuigenverhoor in conventie van 22 oktober 2024
- het getuigenverhoor voor tegenbewijs in conventie en getuigenverhoor in reconventie van 21 maart 2025
- het getuigenverhoor voor tegenbewijs in reconventie van 1 mei 2025
- de akte van 4 juni 2024 met een schriftelijke getuigenverklaring van [partij 2]
- de conclusie na getuigenverhoor van [partij 1]
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [partij 2]
- de conclusie na getuigenverhoor in reconventie van [partij 2]
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor in reconventie van [partij 1]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
[partij 1] stelt dat zij op 11 januari 2021 een bedrag van € 105.000,00 aan [partij 2] heeft verstrekt op grond van een overeenkomst van geldlening voor een periode van zes maanden. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 28 mei 2024 geoordeeld dat [partij 2] de gemotiveerde stelling van [partij 1] over de geldlening voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Daarom heeft de rechtbank [partij 1] opgedragen (nader) bewijs te leveren van haar stelling. In dit vonnis zal worden beoordeeld of [partij 1] in dit bewijs is geslaagd.
2.2.
Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [partij 1] zichzelf als getuige laten horen. Daarnaast heeft zij nog twee getuigen laten horen, namelijk:
- de heer [naam 1] , broer van [partij 1] ; en
- de heer [naam 2] , neef van [partij 1] .
2.3.
[partij 2] heeft zichzelf als getuige laten horen. Ook heeft hij als getuige laten horen mevrouw [naam 3] . De heer [naam 4] was ook als getuige opgeroepen, maar niet verschenen. Van hem is later bij akte een schriftelijke verklaring overgelegd.
Stellingen van partijen
2.4.
Ter onderbouwing van haar stelling heeft [partij 1] verwezen naar een overeenkomst, ondertekend door beide partijen. Bij dat document is een kopie van het paspoort van [partij 2] gevoegd en ook twee pagina’s van een akte van levering. [partij 2] heeft het bestaan van dit document en zijn handtekening daaronder betwist. Ook heeft [partij 1] een uitgebreide WhatsApp-conversatie tussen haar en [partij 2] overgelegd. Enkele citaten uit deze conversatie:
07-06-21 15.23- [partij 1] :
Al a.h. werk? Kan ik eind van de maand alles terugkrijgen? Ik krijg je telefonisch niet te pakken grtjes [partij 1] .
[…]
14-04-21 12:48- [boekhouder] :
Ja het gaat al wat beter maar nog erg moe. Ik neem zeker contact op. Vriendelijke groet [boekhouder] .
26-07-22 13:42- [partij 1] :
Onderpand heb je genoeg, financiering kan je hebben. U denkt echt dat ik gek ben. Ja ben ik geweest jou geld uit te lenen. Hoe kan je zo in elkaar zitten en dan als gelovig mens, daar heb ik nu ook mijn twijfels over
26-07-22 15:40- [partij 1] :
T geld moet er zijn morgen. Schakel je zoon vrouw of weet ik het maar in. Je bent al een jaar telaat. De bank bellen of zoek het maar uit waar je het vandaan haalt. Mijnheer met zijn serieuze afspraken. Grond verkopen etc. Waar een wil is is een wet
[…]
27-07-22 16:03- [partij 1] :
[afbeelding] (bestand bijgevoegd)Dit is onze afspraak en geen jaar nadien en nog miet in orde
27-07-22 16:04- [partij 1] :
Mocht u dit papier niet meer hebben mijnheer [partij 2] een kopie!! U bent fout Niet ik
02-08-22 9:14- [partij 1] :
Wanneer ga je reageren en hoe is het met de stand van zaken al een andere financierder gevonden. HET MOET AFGEROND WORDEN !!@ 1 jaar na afspraak te laat schande. Nu niet bereikbaar weer.
02-08-22 10:18- [boekhouder] :
Zal reageren zoals afgesproken is. Mvg
02-08-22 10:36- [partij 1] :
Wat heb je afgesproken en met wie , indien je meer weet zeker, kan nog wel een jaar duren. U HOUDT ZICH NIET AAN ONZE AFSPRAAK. AFLOSSEN MOET U DOEN
02-08-22 10:37- [partij 1] :
1 jaar te laat met allerlei leugens aan en voor wie. IK MET JOUW EEN SCHRIFTELIJKE OVEREENKOMST. NOG NIET NAGEKOMEN NA 1 JAAR BAH BAH.
02-08-22 10:44- [partij 1] :
AFLOSSEN als je een mens van geweten bent. Nu neem je niet, andere financierder zoeken, je kent mensen genoeg.
02-08-22 14:54- [partij 1] :
Of pand op mijn naam basta.zoals in de overeenkomst staat. Makelaar van de grond nog niet te pakken gehad zeker telefonisch. Verkopen dan. Bah bah wie bent u eigenlijk
04-08-22 10:01- [partij 1] : Nogmaals vraag ik u de stand van zaken. Reageer dan mijn spullen wil ik terug zoals afgesproken is 11 jan. 0221 en ondertekend. T zijn wel grote zorgen mijnheer
02-08-22 10:19- [boekhouder] :
Als ik meer weet dan laat ik het weten mvg
2.5.
[partij 1] heeft zelf als getuige haar stellingen zoals zij die heeft geschetst in de dagvaarding bevestigd. [naam 1] heeft verklaard dat hij op 11 januari 2021 bij zijn zus in de keuken stond en dat zij daar enveloppen had liggen waarop de bedragen stonden die in deze enveloppen zaten. Die enveloppen zou [partij 1] later die dag aan [partij 2] geven. Daar was [naam 1] niet bij. Verder verklaart [naam 1] :
“Ik heb de heer [partij 2] toen [in 2022] telefonisch benaderd. Ik heb hem gevraagd wanneer hij het geld gaat betalen. Ik heb geen geldbedrag genoemd in dat gesprek. Hij zei: ‘ik ben ermee bezig’.”
En:
“Mr. Maat laat mij whatsappberichten van 21, 22 en 25 juli 2022 zien. Dit zijn berichten van mij aan de heer [partij 2] . In deze berichten vraag ik aan de heer [partij 2] om het geld terug te betalen. In 1 van deze berichten staat dat de heer [partij 2] goed achterom moet kijken en de Marokkanen klaar staan en wachten op mijn signaal. Dat heb ik alleen maar geschreven om hem on der druk te zetten. Het was bluf. Er stonden geen Marokkanen klaar, sterker nog deze connecties heb ik niet. Het klopt dat ik dat heb geschreven.”
2.6.
[partij 2] heeft de stelling van [partij 1] betwist. Hij ontkent dat hij geld heeft geleend van [partij 1] . Het door haar overgelegde document is volgens hem valselijk opgemaakt. Ook betwist [partij 2] dat hij op 11 januari 2021 een afspraak had met [partij 1] . Als getuige heeft hij dit ook verklaard. Verder heeft [partij 2] als getuige verklaard dat hij en [partij 1] een relatie hebben gehad tussen 2015 en eind 2019/begin 2020. Daarom kon zij ook bij het kopie van zijn paspoort en de leveringsakte: die lagen op het kantoor van [partij 2] , alwaar hij ook een bed had staan en waar [partij 1] veelvuldig kwam. [partij 2] voert verder aan dat [partij 1] veel en voor hem onduidelijke WhatsAppberichten stuurde. Vanwege hun verleden nam [partij 2] de WhatsAppberichten van [partij 1] niet serieus en omdat de relatie voorbij was, vond hij dat hij niet hoefde te reageren. Verder verklaarde [partij 2] dat hij de geldleningsovereenkomst, die [partij 1] via WhatsApp zegt te hebben gestuurd, niet heeft ontvangen.
[partij 1] is in haar bewijsopdracht geslaagd
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [partij 1] een bedrag van € 105.000,00 heeft uitgeleend aan [partij 2] op 11 januari 2021. Hoewel [partij 1] over de herkomst van het geld wat wisselend en onduidelijk heeft verklaard, gaat het erom dat [partij 1] aantoont dat zij geld heeft uitgeleend aan [partij 2] . De herkomst van het geld is van ondergeschikt belang.
2.8.
Uit de vele WhatsAppberichten blijkt dat [partij 1] meermaals heeft verzocht om de lening af te lossen. Ook de broer van [partij 1] heeft om terugbetaling gevraagd. Hoewel er geen concreet bedrag wordt genoemd, wordt wel verwezen naar een schriftelijke overeenkomst en heeft [partij 1] op 27 juli 2022 een kopie van de overeenkomst aan [partij 2] gestuurd. De in de berichten genoemde informatie komt overeen met de inhoud van de door [partij 1] overgelegde overeenkomst. Dan gaat het over de datum van 11 januari 2021, de termijn van terugbetaling en de afspraak over het pand. [partij 2] reageerde zeer beperkt op de berichten van [partij 1] en als hij reageerde, had zijn reactie voornamelijk de strekking dat hij er nog op zou terugkomen. [partij 2] heeft de ontvangst van de berichten niet betwist, met uitzondering van het bericht van 27 juli 2022. De rechtbank volgt dit niet. Ook de verklaring van [partij 2] waarom hij niet of zeer beperkt reageerde volgt de rechtbank niet. De vermeende relatie, die door [partij 1] wordt ontkend, blijkt nergens uit. In de overgelegde berichten wordt daaraan ook niet gerefereerd. [partij 2] heeft voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de berichten van [partij 1] en inhoudelijk te reageren op haar verzoeken om aflossing. Als hij geen idee had waar [partij 1] het over had, had hij dat moeten aangeven in plaats van algemene bewoordingen in de trant van ‘ik neem contact op’ en ‘als ik meer weet, laat ik het weten’. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat er wel degelijk iets af te lossen viel door [partij 2] . Ook het feit dat [partij 1] beschikte over een kopie van het paspoort van [partij 2] duidt erop dat partijen afspraken hebben gemaakt. In het licht van al deze bewijsmiddelen is de rechtbank dus van oordeel dat [partij 1] erin is geslaagd het bestaan van de geldlening te bewijzen.
2.9.
Dit betekent dat [partij 2] de geldlening ter hoogte van € 105.000,00 aan [partij 1] moet terugbetalen.
Wettelijke rente
2.10.
[partij 1] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen vanaf de datum van opeisbaarheid, 12 juli 2021.
Buitengerechtelijke kosten
2.11.
[partij 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [partij 2] heeft erop gewezen dat [partij 1] de buitengerechtelijke incassokosten niet op de juiste wijze heeft aangezegd. [partij 2] heeft geen aanmaning ontvangen overeenkomstig artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Om die reden de vordering van [partij 1] op dit punt afgewezen.
Proceskosten
2.12.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,49
- griffierecht
2.277,00
- kosten getuigen
185,00
- salaris advocaat
6.751,50
(3,5 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.521,99
2.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
2.14.
[partij 2] vordert betaling van een tweetal facturen:
- de factuur van 12 oktober 2021 van € 7.764,87;
- de factuur van 1 maart 2023 van € 449,21.
2.15.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 28 mei 2024 geoordeeld dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door [partij 1] , het aan [partij 2] is bewijs te leveren van (de omvang van) de door hem verrichte werkzaamheden. Hierna zal worden beoordeeld of [partij 2] in dit bewijs is geslaagd.
2.16.
Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [partij 2] aanvullende stukken overgelegd. Ook heeft hij een origineel schrift waarin hij zijn tijdregistratie voor klanten bijhield ter griffie gedeponeerd. Daarnaast heeft [partij 2] zichzelf als getuige laten horen. [partij 1] heeft ten behoeve van tegenbewijs in reconventie ook zichzelf als getuige laten horen.
[partij 2] heeft ten onrechte geen afspraken gemaakt over de prijs
2.17.
[partij 1] betwist niet dat zij opdracht heeft verstrekt aan [partij 2] en dat [partij 2] ter uitvoering van die opdracht werkzaamheden voor haar heeft verricht. [partij 1] wijst er wel op dat zij nooit een opdrachtbevestiging heeft gehad van [partij 2] . Ook heeft [partij 2] niet op voorhand medegedeeld wat hij zou gaan doen en is geen plan van aanpak gedeeld en geen inschatting van kansen. Ook heeft [partij 2] geen ureninschatting gegeven en niet periodiek gefactureerd. Verder betwist [partij 1] de omvang van de door [partij 2] verrichte werkzaamheden. Zij vindt dat [partij 2] te veel tijd rekent.
2.18.
De overeenkomst van opdracht tussen [partij 2] en [partij 1] is een overeenkomst tussen een handelaar en consument. [partij 2] handelde immers in de uitoefening van zijn beroep. [partij 1] handelde niet in de uitoefening van beroep of bedrijf. Bij het sluiten van een overeenkomst van opdracht met een consument moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW. Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De rechtbank moet ambtshalve toetsen of die voorschriften zijn nageleefd.
2.19.
Eén van de eisen is dat de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moet geven over de totale prijs van de zaken of diensten. Als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, dan moet op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie worden gegeven over de manier waarop de prijs moet worden berekend. [1]
2.20.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft geoordeeld dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. [2] Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Daarbij kan gedacht worden aan een schatting van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen. Daarbij is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de informatie die aan de consument is verstrekt, de consument in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen. Volgens het HvJEU stelt het enkel noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument in ieder geval niet in staat om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen.
2.21.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst van opdracht tussen [partij 2] en [partij 1] in dit geval niet voldoet aan de eis over de totale prijs. [partij 2] heeft geen schriftelijke opdrachtbevestiging gestuurd. Ook heeft hij niet gesteld dat hij met [partij 1] heeft gesproken over de kosten van zijn dienstverlening. Voor [partij 1] is het dus niet duidelijk welke betalingsverplichtingen zij op zich nam bij en na het sluiten van de overeenkomst. Dat betekent dat [partij 2] niet heeft voldaan aan een essentiële informatieplicht. Omdat er helemaal geen transparantie over de prijs is, moet het prijsbeding worden getoetst op oneerlijkheid op grond van artikel 4 lid 2 van Pro Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn). Er is door [partij 2] geen enkele informatie over de prijs verstrekt. Daarmee zijn de kosten niet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd en daarmee is het evenwicht tussen handelaar en consument ten nadele van [partij 1] als consument aanzienlijk verstoort. Door [partij 2] is het vereiste van goede trouw niet nageleefd. [3] Het beding is dan ook oneerlijk.
2.22.
Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn, [partij 1] niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de overeenkomst van opdracht niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of [partij 1] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en of zij in haar belangen wordt geschaad, omdat de rechtbank in dat geval de overeenkomst moet aanvullen. [4]
2.23.
Aangezien [partij 2] zijn werkzaamheden voor [partij 1] heeft afgerond, heeft [partij 1] in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt [partij 1] door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het [partij 2] de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo Pro. 6:210 lid 2 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen. [5]
2.24.
In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel [partij 1] tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft [partij 1] die waarde voordat zij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor zij is bevrijd van haar betalingsverplichting. [6] Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer [partij 2] alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding is gehanteerd.
2.25.
Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door [partij 2] op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt [partij 1] daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor haar, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.
2.26.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [partij 2] zal worden afgewezen.
Proceskosten
2.27.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- salaris advocaat
4.822,50
(2,5 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.000,50

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen het bedrag van € 105.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 juli 2021, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 9.521,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.5.
wijst de vordering af,
3.6.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 5.000,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7.
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.6 en 3.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Danschutter en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:230l aanhef en onder c BW.
2.Uitspraak van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, ECLI:EU:2023:14).
3.Artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn.
4.Zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954.
5.ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62
6.ECLI:EU:C:2023:14, punt 58.