ECLI:NL:RBZWB:2025:9686

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442809 / KG ZA 25-664 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:167 lid 1 BWArt. 10 lid 1 EVRMArt. 10 lid 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot rectificatie en verbod op uitlatingen over jeugdhulpaanbieder

De zorgaanbieder [eisers] vorderde in kort geding dat IJZ werd bevolen een rectificatie te plaatsen, zich te onthouden van uitlatingen over terugbetaling, cliëntgegevens te retourneren of vernietigen, en de opschorting van betaling te beëindigen. De vorderingen waren gericht tegen vermeende onrechtmatige uitlatingen en onterechte opschorting van betaling.

IJZ voerde verweer dat zij een rechtsgrond had voor het onderzoek naar het declaratiegedrag van [eisers] en dat de uitlatingen feitelijk en niet onrechtmatig waren. Ook stelde IJZ dat zij gerechtigd was betaling op te schorten vanwege het ontbreken van een gedetailleerde urenspecificatie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het onderzoek van IJZ een grondslag had in het Programma van Eisen en dat de uitlatingen feitelijk waren en niet onrechtmatig. Ook was onvoldoende aannemelijk dat IJZ onrechtmatig handelde door het niet verlenen van goedkeuring voor toetreding tot samenwerkingsverbanden. De opschorting van betaling was gerechtvaardigd vanwege het ontbreken van de vereiste urenspecificatie.

Daarom werden alle vorderingen afgewezen en werd [eisers] veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de zorgaanbieder worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatigheid en rechtvaardiging van opschorting betaling.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/442809 / KG ZA 25-664
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. N. Rensen,
tegen
GEMEENSCHAPPELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZEELAND, bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp Zeeland, organisatieonderdeel Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland,
gevestigd te Goes,
gedaagde partij,
hierna te noemen: IJZ,
advocaat: mr. I. van der Hoeven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025,
- de producties 1 t/m 40 van [eisers] ,
- de producties 1 t/m 27 van IJZ,
- de mondelinge behandeling van 23 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van IJZ.
1.2.
In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is vonnis bepaald op 30 december 2025. Op die datum is bij verkort vonnis op de vorderingen beslist. De feiten, de vorderingen en de motivering van de beslissing worden hierna uitgewerkt.

2.De feiten

2.1.
[eisers] is een multidisciplinaire zorgaanbieder op het gebied van diagnostiek en begeleiding binnen het Zeeuwse jeugdhulplandschap. [eisers] biedt haar diensten aan via de vennootschap onder firma [eiser 1] en is voornemens haar diensten per 1 januari 2026 aan te bieden via de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] B.V.
2.2.
In de provincie Zeeland hebben alle gemeenten de taken rondom jeugdhulp overgedragen aan het openbaar lichaam Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland (GGZ). Het bestuur van de GGZ heeft deze taken en bevoegdheden vervolgens overgedragen aan de bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp Zeeland (IJZ). Dit volgt uit het Mandaatbesluit Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp Zeeland. Hieruit volgt dat IJZ verantwoordelijk is voor de inkoop van de jeugdzorg in Zeeland.
2.3.
Teneinde jeugdzorg aan te bieden, moeten zorgverleners zoals [eisers] aangesloten zijn bij een samenwerkingsverband. Naar aanleiding van de openbare aanbestedingsprocedure “Naar effectieve samenwerking in de Jeugdhulp in Zeeland” heeft samenwerkingsverband ZILT een zorgverleningsovereenkomst met IJZ gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst zijn het generieke “Programma van Eisen” (PvE) en het “Standaard Administratie Protocol”. [maatschap] maakte toentertijd als hoofdaannemer deel uit van ZILT. De overeenkomst tussen ZILT en [maatschap] zou van rechtswege op 30 april 2024 eindigen. Ten behoeve van het aanbieden van jeugdzorg in het kader van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en de Wet langdurige zorg (WLZ) heeft [eisers] op 1 september 2021 een overeenkomst van opdracht gesloten met [maatschap] .
2.4.
Op 22 februari 2024 is door IJZ een bericht gestuurd aan [maatschap] in haar rol als hoofdaannemer van [eiser 1] , alsmede aan [eisers] met de volgende tekst:
“(…)
Er bereiken ons signalen en serieuze zorgen over het declaratiegedrag van en kwaliteit van hulpverlening door [eiser 1] . Wij zijn bezig om deze te verzamelen en komen hier op korte termijn bij u op terug.”
2.5.
Naar aanleiding van voornoemde signalen, die IJZ ontving van de toegangen van de gemeenten [plaats 2] en [plaats 1] , is IJZ met [maatschap] op 28 maart 2024 in gesprek gegaan. [eisers] was tevens voor dit gesprek uitgenodigd, maar was hierbij niet aanwezig. Uiteindelijk zag IJZ aanleiding om intern een onderzoek naar [eisers] te starten. Dit heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport van 6 juni 2024.
2.6.
Omdat de zorgverleningsovereenkomst tussen IJZ en ZILT per 30 april 2024 zou eindigen, heeft [eisers] getracht aansluiting te zoeken bij een ander samenwerkingsverband. In verband met het toen nog lopende onderzoek van IJZ naar [eisers] heeft IJZ bij e-mail van 21 maart 2024 aan [eisers] , alsmede dezelfde contactpersonen van [maatschap] die zijn aangeschreven in de e-mail van 22 februari 2024, geschreven:
“Vanuit de penvoerder van een ander samenwerkingsverband hebben wij vernomen dat er voor [eiser 1] een verzoek is gedaan om tot dit samenwerkingsverband per 1 mei toe te treden als onderaannemer. Morgen wij ervan uitgaan dat u het lopende onderzoek vanuit IJZ en de Zeeuws Vlaamse gemeenten in deze gesprekken transparant op tafel legt?”
2.7.
Ten behoeve van de continuering van de jeugdhulpverlening door [eisers] , heeft IJZ met [eisers] na beëindiging van het samenwerkingsverband ZILT een tijdelijke maatwerkovereenkomst gesloten met [maatschap] voor de periode van 1 mei 2024 tot en met 31 december 2024 en met [eisers] voor de gemeente [plaats 1] tot en met 31 december 2025 en voor de gemeente [plaats 2] tot en met 31 maart 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert – samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van IJZ in de kosten van deze procedure – bij vonnis IJZ te gebieden:
i. binnen 24 uur nadat uitspraak is gedaan middels een e-mailbericht aan de penvoerders van de ketenpartners een e-mailbericht met de volgende tekst te versturen, waarbij [eisers] in de cc wordt meegenomen ter controle:
"Er zijn geen feiten of omstandigheden die een beletsel vormen voor de toelaten van [eisers] tot het jeugdhulplandschap in Zeeland, noch voor deelname aan aanbestedings- of samenwerkingsprocedures”.
op straffe van een dwangsom;
ii. zich per direct te onthouden van uitingen aan derden over een vermeende terugbetaling van [eisers] aan IJZ inzake gedeclareerde tijd, zolang daarover tussen partijen geen overeenstemming is bereikt of dit volgt uit een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak, op straffe van een dwangsom;
iii. binnen 24 uur nadat uitspraak is gedaan, alle bijzondere persoonsgegevens van de cliënten van [eisers] - meer specifiek de extracten uit de cliëntendossiers - per omgaande aan [eisers] te retourneren en/of te vernietigen. Ook eventuele rapportages die gebaseerd zijn op de betreffende persoonsgegevens moeten per omgaande worden vernietigd, op straffe van een dwangsom;
iv. binnen 24 uur nadat uitspraak is gedaan de opschorting in het kader van de nakoming van verplichtingen die volgen uit de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomsten te beëindigen c.q. ongedaan te maken.
3.2.
[eisers] legt aan de vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Door de opmerkingen van IJZ over (het onderzoek naar) het declaratiegedrag van [eisers] en de kwaliteit van de zorg lukt het [eisers] niet om zich aan te sluiten bij een samenwerkingsverband. Dit heeft tot gevolg dat zij per 1 januari 2026 in de gemeente [plaats 1] en per 1 april 2026 in de gemeente [plaats 2] niet langer de jeugdzorghulpverlening kan bieden aan haar cliënten. Primair stelt [eisers] dat IJZ onrechtmatig jegens [eisers] handelt door onjuiste en door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW Pro. Subsidiair stelt [eisers] zich op het standpunt dat IJZ door de mededelingen te doen aan derden handelt in strijd met artikel 12 van Pro de maatwerkovereenkomst. Meer subsidiair stelt [eisers] dat IJZ door toetreding tot een samenwerkingsverband te frustreren in wezen wil afdwingen dat [eisers] een substantieel deel van haar gedeclareerde uren terugbetaalt, wat onrechtmatig is.
Daarnaast weigert IJZ ook expliciet dat [eisers] zich aansluit bij een samenwerkingsverband, terwijl zij daartoe geen grondslag heeft.
De onrechtmatige opmerkingen die IJZ heeft gemaakt moeten staken en IJZ moet bevestigen dat deze – kort weergegeven – geen grondslag hadden.
Verder voert [eisers] aan dat IJZ ten onrechte 38% heeft ingehouden op een factuur van [eisers] . Deze inhouding zou hebben plaatsgevonden, omdat volgens IJZ een urenspecificatie ter onderbouwing van deze factuur ontbrak. Deze urenspecificatie is verstrekt, waardoor IJZ betaling van de factuur niet langer kan opschorten. Daarom moet de opschorting van deze betaling bij gebrek aan grondslag worden gestaakt.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is bij het bespreken van de derde vordering, over het vernietigen, dan wel retourneren van bepaalde clientgegevens door [eisers] aan IJZ, door IJZ toegelicht dat zij hieruit een onderbouwing van de directe en indirecte uren heeft gehaald. IJZ heeft geen behoefte aan de persoonsgegevens, zij wenst inzicht te krijgen in de verstrekte gevallen over de declarabele tijd en wat – volgens het PvE – de directe en indirecte tijd is. Onder de toezegging van [eisers] dat zij een geschoonde versie verstrekt conform het PvE heeft IJZ toegezegd dat zij deze gegevens daarna retourneert. Hierop heeft [eisers] vordering iii ingetrokken, waardoor deze vordering geen nadere behandeling behoeft.
3.4.
IJZ voert verweer. IJZ concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.5.
IJZ voert daarbij kort gezegd en voor zover nog relevant aan dat zij een rechtsgrond heeft voor het doen van onderzoek naar het declaratiegedrag van [eisers] , dat zij hierover in gesprek moest gaan met de zorgaanbieders als onderdeel van het PvE en de andere overeengekomen documenten in de aanbesteding en dat zij verplicht is als tussenpersoon tussen enerzijds de gemeenten en anderzijds de zorgaanbieders de gemeenten op de hoogte te stellen. De mededelingen die IJZ heeft gedaan zijn summier en feitelijk van aard, waardoor van onrechtmatige uitlatingen geen sprake kan zijn. Een gebod tot het doen van de gevorderde uitlatingen en een verbod tot het doen van nadere uitlatingen moet derhalve worden afgewezen. Ten aanzien van de opgeschorte betaling van een deel van voornoemde factuur geldt dat IJZ stelt de benodigde gegevens nog niet te hebben ontvangen, waardoor [eisers] haar verplichtingen niet nakomt en zij gerechtigd is betaling van de factuur op te schorten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
[eisers] stelt dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat onder meer de maatwerkovereenkomsten die [eisers] met de gemeente [plaats 1] heeft gesloten eindigen per 31 december 2025. Het is noodzakelijk dat IJZ per direct de blokkade opheft die [eisers] verhindert aansluiting te vinden bij een samenwerkingsverband. Gelet op de aard van de vorderingen is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang.
Vordering i: gebod tot bericht dat er geen beletstel is voor [eisers] tot deelname samenwerkingsverband
4.3.
[eisers] vordert – kort weergegeven – een rectificatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW Pro. Voor toewijzing van deze vordering moet vast komen te staan dat IJZ aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. Daartoe gaat de voorzieningenrechter hieronder in op (i) de door [eisers] aangevoerde publicaties van gegevens van feitelijke aard, (ii) de vraag of deze onjuist zijn of door onvolledigheid misleidend en (iii) of – in het kader van deze kortgedingprocedure – voldoende aannemelijk is gemaakt dat dit in een bodemprocedure leidt tot aansprakelijkheid van IJZ.
4.4.
Bij de beoordeling van deze vordering stelt de voorzieningenrechter voorop dat het uitgangspunt is dat toewijzing van de vordering een beperking inhoudt op het in artikel 10 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM Pro slechts worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Daarvan is sprake als de uitlatingen die IJZ heeft gedaan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Voor het antwoord op de vraag of de uitlatingen van IJZ onrechtmatig zijn, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij kan worden gedacht aan de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben, de ernst van de mogelijke misstand die aan de kaak wordt gesteld, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de totstandkoming en de inkleding van de uitlatingen, het gezag van het gebruikte medium, de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
4.5.
Ter onderbouwing van haar betoog heeft [eisers] in haar dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling diverse publicaties aangevoerd en toegelicht. Deze zijn deels afkomstig van IJZ zelf, deels van ketenpartners met wie [eisers] in gesprek was over mogelijke aansluiting bij een samenwerkingsverband en deels van bestuurders en ambtenaren van gemeenten waar [eisers] de jeugdzorg wenst aan te bieden. Deze opmerkingen hebben als strekking dat IJZ heeft gemeld (i) dat het signalen en serieuze zorgen over het declaratiegedrag van en kwaliteit van hulpverlening door [eiser 1] heeft ontvangen en daarnaar een onderzoek heeft verricht en (ii) dat IJZ geen toestemming heeft gegeven voor het aansluiten van [eisers] bij een samenwerkingsverband. Dat IJZ hierover opmerkingen heeft gemaakt (al dan niet in antwoord op gestelde vragen van derden) wordt niet door haar betwist, volgt (deels) ook uit de overgelegde stukken en is daarmee voldoende aannemelijk gemaakt.
4.6.
Dat IJZ een onderzoek mocht instellen naar de door [eisers] ingediende declaraties en de verantwoording daarvan volgt volgens IJZ uit het PvE, dat ook voor [eisers] gold. Uit artikel 8.9 PvE volgt namelijk:
“Opdrachtgever kan onderzoek doen naar de juistheid van de tijdsregistratie en declaratie. Indien sprake is van geconstateerde onrechtmatigheid en/of ondoelmatigheid (waaronder het niet voldoen aan de overeengekomen kwaliteitseisen of het in rekening brengen van onnodig geleverde hulp) in/van de geleverde hulp kan Opdrachtgever Opdrachtnemer hierop aanspreken en (een deel) van het bedrag aan onrechtmatig en/of ondoelmatig bestempelde facturen terugvorderen, al dan niet gevolg door verrekening met nog openstaande dan wel toekomstige facturen.”
4.7.
Hiertegen heeft [eisers] aangevoerd dat niet zij, maar hoofdaannemer [maatschap] de declaraties indiende. Eventuele fouten kunnen derhalve [eisers] niet worden verweten. Voorts voert [eisers] aan dat uit artikel 8.7 PvE volgt:
“Opdrachtgever (of door Opdrachtgever daartoe aangewezen derde) is te allen tijde gerechtigd verwachte en onverwachte controles uit te voeren op de inhoudelijk kwaliteit en op presentie- en financiële administraties van Opdrachtnemer. Dit zal in beginsel plaatsvinden op basis van het door Programma i-Sociaal Domein ontwikkelde Algemeen Accountantsprotocol Financieel Productieverantwoording WMO en Jeugdwet.
Daarna is Opdrachtgever gerechtigd om de dienstverlening te (laten) evalueren onder de Cliënten. De controles en evaluaties mogen de continuïteit van het proces van de hulpverlening aan de Cliënten niet verstoren.”
Onder verwijzing naar de overige bepalingen uit het PvE betekent dit dat controles op de administratie moeten worden gedaan/voorafgegaan door een accountant. Het onderzoek dat is verricht door IJZ is geen accountantscontrole. Bij gebrek aan een accountantscontrole heeft het onderzoek door IJZ geen grondslag in het PvE. Daarmee is het onderzoek onrechtmatig en zijn de opmerkingen daarover door IJZ aan derden onrechtmatig, aldus [eisers] .
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft IJZ voldoende aannemelijk gemaakt dat het door haar verrichte onderzoek naar het declaratiegedrag en de verantwoording daarvan een grondslag heeft in het PvE, waaraan ook [eisers] was gebonden. Dat het onderzoek naar [eisers] door IJZ moest worden voorafgegaan door een accountantscontrole, door een accountant moest worden verricht of niet kan worden uitgevoerd indien aan accountantscontrole reeds heeft plaatsgevonden is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zo volgt bijvoorbeeld uit artikel 8.7 PvE dat – kort gezegd – controles “in beginsel” zullen plaatsvinden op het daarin genoemde accountantsprotocol. Hieruit volgt geen verplichting om dit te doen. Uit de tekst van het PvE volgt evenmin dat een accountantscontrole, zoals genoemd in artikel 8.7, eerst moeten plaatsvinden en afhankelijk daarvan pas een onderzoek op grond van artikel 8.9 PvE kan plaatsvinden. Een onderbouwing dat deze bepalingen anders moeten worden uitgelegd is niet gegeven.
Aan de stelling dat – kort gezegd – het onderzoek van IJZ niet kan worden gedaan naar de declaraties van [eisers] , omdat [maatschap] hiervoor verantwoordelijk is gaat niet op. IJZ heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet zozeer onderzoek heeft gedaan naar het handelen van [maatschap] als hoofdaannemer, maar specifiek heeft gekeken naar het handelen van [eisers] . Over die partij had zij namelijk signalen ontvangen. Dat [maatschap] als tussenpersoon fungeerde maakt niet dat dit onderzoek naar [eisers] niet gerechtigd is.
4.9.
Voorts geldt dat niet is bestreden dat IJZ voornoemde signalen heeft ontvangen en daarnaar onderzoek heeft gedaan. IJZ heeft dit onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder rechtsgrond uitgevoerd. Daarmee is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende / onrechtmatige publicatie. Bij gebrek daaraan is evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat de gedane uitingen in een bodemprocedure leiden tot aansprakelijkheid van IJZ. Dit deel van de vordering wordt derhalve afgewezen.
4.10.
Ten aanzien van de tweede opmerking die door IJZ zou zijn gemaakt over dat IJZ geen toestemming heeft gegeven voor aansluiting van [eisers] bij een samenwerkingsverband geldt het volgende. IJZ heeft aangegeven dat het bij toetreding van een zorgverlener, zoals [eisers] , tot een samenwerkingsverband geen goedkeuring hoeft te verlenen. Het is immers aan het samenwerkingsverband zelf om te bepalen of een zorgverlener mag toetreden tot het samenwerkingsverband. IJZ dient wel bij wijziging van de samenstelling van (onder)aannemers bij de aanbesteding goedkeuring te verlenen. Dit volgt uit paragraaf 2.5.6 van het beschrijvend document in het kader van de aanbestedingsprocedure met de titel “Naar effectieve samenwerking in de jeugdhulp in Zeeland”, waaruit volgt dat bij inschakeling van een onderaannemer schriftelijke goedkeuring moet worden verleend door de opdrachtgever (in dit geval IJZ). Uit artikel 2.3 PvE volgt:
“Opdrachtnemer kan deze Jeugdhulp onder zijn inhoudelijke en financiële verantwoordelijkheid laten verlenen door een andere jeugdhulpaanbieder als deze is geaccepteerd als Onderaannemer door de Opdrachtgever of door een andere Opdrachtnemer binnen hetzelfde Samenwerkingsverband of binnen het Jeugdhulpnetwerk. Als het een nieuwe Onderaannemer betreft zal Opdrachtnemer hiervoor eerst akkoord vragen aan Opdrachtgever.”
Woorden van gelijke strekking zijn voorts gegeven in de nota van inlichtingen bij de aanbestedingsprocedure en in artikel 13.1 van de raamwerkovereenkomst. Ook in de nieuwe aanbestedingsprocedure is in bijlage 8 het volgende opgenomen:
“Het is mogelijk om tijdens de uitvoering van de opdracht onderaannemers aan de combinatie toe te voegen. Contractpartijen dienen hier voorafgaand toestemming voor te vragen aan de bestuurscommissie van Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (hierna: IJZ).”
Onderdeel in dit aanmeldingsproces is dat IJZ onderzoekt of onder andere sprake is van lopende onderzoeken, inspecties, of dat er bijvoorbeeld er ‘andere’ signalen zijn over de nieuw toe te voegen onderaannemer. Indien sprake is van dergelijke omstandigheden, dan wordt dit gemeld bij de aanbieders die deze onderaannemer wenst in te schakelen.
4.11.
[eisers] heeft hiertegen aangevoerd dat het onderzoek van IJZ naar [eisers] reeds in juni 2024 is afgerond. Naar aanleiding daarvan hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden en is gesproken over een vaststellingsovereenkomst en terugbetaling van een deel van de gedeclareerde uren, waarover hieronder in het kader van vordering ii meer. Volgens [eisers] gebruikt IJZ nu – kort gezegd – het niet verlenen van goedkeuring aan toetreding tot een samenwerkingsverband ten onrechte als pressiemiddel om deze regeling te sluiten (de meer subsidiaire grondslag). Tevens stelt [eisers] dat IJZ onder de geschetste omstandigheden de vereiste goedkeuring niet kan weerhouden, waardoor de opmerkingen dat [eisers] nog geen “groen licht” heeft gekregen geen grondslag heeft en derhalve onrechtmatig is.
4.12.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is door [eisers] echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat IJZ geen grondslag had om de vereiste goedkeuring niet te geven en daarover te communiceren met hoofdaannemers, samenwerkingsverbanden en gemeenten. Allereerst volgt uit de door IJZ geschetste grondslagen dat voor toelating van [eisers] als onderaannemer IJZ goedkeuring moet verlenen. Daarbij geldt dat in die beslissing nadere gegevens, zoals gegevens/signalen die komen uit bijvoorbeeld het onderzoek door IJZ, mogen worden betrokken. [eisers] heeft ook niet geschetst op grond waarvan dit niet is toegestaan. In dat kader geldt nog dat uit de door IJZ aangevoerde stukken volgt dat het de “hoofdaannemer” is die om goedkeuring vraag om een onderaannemer in te schakelen. Dat het IJZ niet is toegestaan om in het kader van een dergelijk verzoek overleg te voeren met de partij die om goedkeuring vraagt is niet door [eisers] aangevoerd, althans onvoldoende. Uit de door IJZ ingediende stukken volgt ook dat overleg met de gemeenten gerechtigd is.
Het voorgaande maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat IJZ over de nog niet verstrekte goedkeuring onjuiste of door onvolledigheid misleidende uitlatingen heeft gedaan. Bij gebrek daaraan is evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat de gedane uitingen in een bodemprocedure leiden tot aansprakelijkheid van IJZ. [eisers] heeft niet aangevoerd op grond waarvan IJZ geboden zou moeten worden om voornoemde goedkeuring te verlenen indien niet vast komt te staan dat sprake is van onjuiste of door onvolledigheid misleidende uitlatingen. Nu IJZ zich heeft mogen uitlaten over het niet verstrekken van voornoemde goedkeuring, is geen sprake van een onrechtmatige uitlating. Dit deel van de vordering wordt derhalve afgewezen.
4.13.
Ten aanzien van de subsidiaire grondslag dat IJZ op grond van de geheimhoudingsbepaling uit de maatwerkovereenkomst tussen IJZ en [maatschap] geen uitlatingen mag doen over het declaratiegedrag van [eisers] , overweegt de voorzieningenrechter dat het hier gaat om een generieke geheimhoudingsbepaling waarbij vertrouwelijke kennis niet bekend mag worden gemaakt tenzij voor de uitvoering van de overeenkomst noodzakelijk is. [eisers] heeft in dat kader onvoldoende onderbouwd dat IJZ vertrouwelijke informatie uit de overeenkomst bekend heeft gemaakt.
Daarnaast geldt dat in het licht van de voorgaande bepalingen over het onderzoek naar een onderaannemer die zich wenst aan te sluiten bij een samenwerkingsverband, het geoorloofd is om in gesprek te gaan met deze aanbieders. Dat dit is toegelaten volgt ook uit de hiervoor aangehaalde bepalingen. Derhalve is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schending van voornoemde geheimhoudingsbepaling.
4.14.
Naar aanleiding van de meer subsidiaire grondslag merkt de voorzieningenrechter op dat IJZ en [eisers] naar aanleiding van het onderzoek dat door IJZ is verricht nog met elkaar in gesprek waren over het maken van afspraken in de vorm van een vaststellingsovereenkomst. Dit heeft echter niet tot een finale, ondertekende vaststellingsovereenkomst geleid. Dat IJZ het weerhouden van deze goedkeuring gebruikt als pressiemiddel om een regeling te treffen (de meer subsidiaire grondslag) is niet gebleken. Het staat IJZ vrij om onder de gestelde omstandigheden de goedkeuring niet te geven. [eisers] heeft voorts niet aangevoerd op grond waarvan IJZ de benodigde goedkeuring wel zou moeten verstrekken. Nu [eisers] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat IJZ het weerhouden van goedkeuring gebruikt als pressiemiddel en op grond waarvan die goedkeuring dan moet worden verstrekt, wordt de meer subsidiaire grondslag afgewezen.
4.15.
Resumerend wordt vordering i afgewezen.
Vordering ii: verbod tot mededelingen over terugbetaling van [eisers] aan IJZ inzake gedeclareerde tijd
4.16.
In het verlengde van wat is gesteld onder vordering i, vordert [eisers] dat IJZ wordt verboden om uitlatingen te doen over vermeende terugbetalingen van [eisers] aan IJZ inzake gedeclareerde tijd, zolang daarover geen overeenstemming is of een onherroepelijke uitspraak. Namens IJZ zou zijn gesteld dat IJZ onder andere aan de ketenpartners heeft medegedeeld dat tussen IJZ een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarbij [eisers] haar afspraken niet nakomt en dat voorts een onderzoek loopt naar het declareergedrag van [eisers] .
Volgens IJZ heeft zij alleen feitelijke constateringen gedaan over het onderzoek en het niet verlenen van goedkeuring aan [eisers] . Voor het doen van deze uitlatingen heeft IJZ een rechtsgrond, waardoor van onrechtmatige uitlatingen geen sprake is en zij niet kan worden gedwongen om hierover geen mededelingen te doen. Voorts geldt dat de opmerkingen waarnaar [eisers] verwijst niet door IJZ zijn gedaan, maar door derden waarvan niet is vast te stellen dat deze uitlatingen van IJZ komen. Ten aanzien van de opmerkingen die door IJZ zouden zijn gedaan over een vaststellingsovereenkomst en het niet nakomen daarvan stelt IJZ dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van deze overeenkomst en gezien de vordering van [eisers] zij derhalve opmerkingen mag maken over [eisers] .
4.17.
Naar aanleiding van hetgeen is overwogen onder vordering i, waarbij onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, geldt dat bij gebrek daaraan IJZ niet kan worden beperkt in het doen van uitlatingen. In het verlengde van het oordeel van vordering i, geldt ook voor de uitlatingen over het onderzoek onder vordering ii onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen. De uitlatingen die IJZ heeft gedaan aan derden zijn slechts constateringen van feitelijke aard, waarvoor zij een grondslag had om die te doen. Dit geldt ook voor uitlatingen die IJZ zou hebben gedaan over het treffen van een regeling met [eisers] . Die regeling is voorgesteld naar aanleiding van signalen en zorgen die bij IJZ zijn terecht gekomen, waarnaar IJZ onderzoek heeft gedaan en waarover zij in gesprek moest gaan met zorgaanbieders en de gemeenten. Dit staat derhalve los van de vraag of partijen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van een vaststellingsovereenkomst. Nu niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen en niet is aangevoerd op grond waarvan IJZ anderszins geen mededelingen over terugbetaling door [eisers] aan IJZ zou mogen maken, wordt dit deel van de vordering afgewezen.
Vordering iv: beëindiging opschorting betaling factuur
4.18.
Volgens [eisers] heeft IJZ ten onrechte betaling van 38% van [factuur] opgeschort, omdat geen, dan wel niet tijdig een uren- en tijdregistratie is overgelegd door [eisers] aan IJZ. Volgens [eisers] maakt deze urenspecificatie integraal onderdeel uit van de facturatie, waarin de door IJZ vereiste gegevens staan vermeld. Zij is dus niet in verzuim en van opschorting kan derhalve geen sprake zijn.
4.19.
IJZ voert hiertegen aan dat IJZ meermaals heeft verzocht om de vereiste gedetailleerde urenspecificatie. Ook ter zitting is door IJZ onder verwijzing naar artikel 5 PvE Pro onderbouwd dat in de urenspecificatie duidelijk moet blijken of sprake is van direct of indirect gedeclareerde tijd, volgens de specificaties die daarin zijn uiteengezet. Daarop is door [eisers] erkend dat op de facturatie alleen zorgcodes staan vermeld.
4.20.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is door [eisers] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de gegevens zoals die zijn vereist onder artikel 5 PvE Pro en zoals verzocht door IJZ heeft verstrekt bij haar facturen of nadien. Dat IJZ meermaals heeft verzocht om deze gegevens is niet betwist. Met de constatering dat [eisers] dit niet heeft gedaan heeft [eisers] onvoldoende aangevoerd om uit te gaan van een onterechte opschorting van de (volledige) betaling van voornoemde factuur. Dit maakt dat deze vordering wordt afgewezen.
Proceskosten
4.21.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IJZ worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 en uitgewerkt op 13 januari 2026.