ECLI:NL:RBZWB:2025:9707

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/02/435361 / JE RK 25-873
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar ondertoezichtstelling van minderjarigen in het kader van ontwikkelingsbedreiging

In deze zaak heeft de kinderrechter op 30 december 2025 een nadere beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, omdat er zorgen zijn over hun ontwikkeling en de opvoedsituatie bij de ouders. De ouders, de moeder en de vader, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar er zijn ernstige zorgen over de opvoedcapaciteiten van beide ouders, vooral gezien de persoonlijke problematiek en de onduidelijkheid in hun samenwerking. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen op dit moment onvoldoende door de ouders wordt geaccepteerd. De kinderrechter heeft daarom besloten de kinderen onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling (GI) voor een periode van zes maanden, met de verplichting voor de GI om binnen zes weken een plan van aanpak op te stellen. De kinderrechter heeft ook aangegeven dat de ouders individuele hulpverlening nodig hebben en dat er zorgen zijn over de verhouding tussen de ouders en de impact daarvan op de kinderen. De zaak is aangehouden voor een verdere behandeling op een pro forma datum.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/435361 / JE RK 25-873
Datum uitspraak: 30 december 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de moeder,
[de vader],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen de vader.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de Raad van 28 november 2025 met daarbij het aanvullend rapport van 27 november 2025;
  • de brieven van de moeder van 10 en 11 december 2025;
  • de brief van de vader van 11 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger (en toehoorder) van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
2.2.
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
2.3.
[minderjarige 1] is in staat gesteld haar mening te geven. De moeder heeft namens [minderjarige 1] een brief geschreven. De inhoud daarvan is tijdens de mondelinge behandeling besproken.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De nadere beoordeling

Beschikking 11 juli 2025
4.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 juli 2025 is het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen aangehouden tot 31 december 2025 pro forma in afwachting van een nader verslag van de Raad. In deze beschikking is aangegeven dat de zorgen over de kinderen groot zijn, maar dat er al veel hulpverlening voor het gezin in het vrijwillig kader is. Het is de kinderrechter onvoldoende duidelijk geworden waarom hulpverlening niet in het vrijwillig kader kan blijven plaatsvinden. De omstandigheid dat het vrijwillig kader niet in staat is om voldoende regie te voeren is vooralsnog geen reden om een ondertoezichtstelling op te leggen. Het verzoek is aangehouden om te bezien of de ouders blijven meewerken aan de hulpverlening en of de hulpverlening voldoende van de grond komt.
Nadere standpunten
4.2.
De Raad heeft in het aanvullende rapport en tijdens de zitting aangegeven dat het verzoek gehandhaafd wordt met het voorstel om na negen maanden ondertoezichtstelling een tussentijdse toetsing door de rechtbank te laten plaatsvinden met informatie vanuit de GI. Er is hard gewerkt, met name door de moeder, maar de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen is in de afgelopen maanden niet afgenomen doordat de hulpverlening onvoldoende van de grond lijkt te komen voor de kinderen en de ouders. Bij de kinderen is sprake van traumagerelateerde problematiek en bij [minderjarige 1] zijn er ernstige zorgen in haar gedrag en over haar schoolgang. De ouders zijn zelf ook belast met persoonlijke problematiek. Er is onvoldoende zicht op de belastbaarheid van de ouders en of zij in voldoende mate kunnen aansluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen. De moeder heeft aangegeven therapie te gaan krijgen. De vader zegt geen hulp voor zichzelf nodig te hebben, waardoor er geen zicht komt op zijn functioneren. De moeder handelt vanuit haar eigen principes en patronen, die lastig te doorbreken zijn. Er zijn tevens zorgen over de verhouding tussen de ouders. Ook zorgelijk is dat het contact tussen de kinderen en de vader sterk is verminderd en alleen plaatsvindt via beeldbellen. Er zijn dus zorgen op meerdere gebieden. Er is geen plan over hoe deze zorgen kunnen afnemen om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Nodig is dat beide ouders individuele hulpverlening krijgen, er bij de vader onderzoek wordt gedaan of er sprake is van de ziekte van Huntington, er ondersteuning wordt gegeven bij het vormgeven van het contact tussen de vader en de kinderen, de ouders hulp krijgen bij de oudercommunicatie en hun samenwerking, de kinderen individuele hulpverlening krijgen c.q. wordt voortgezet en er ondersteuning wordt geboden aan de moeder als hoofdopvoeder om de opvoedsituatie veilig en voorspelbaar te maken. Er dient daarbij zicht te komen of de huidige hulpverlening vanuit GGZ [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] voldoende is. Een ondertoezichtstelling heeft op dat stuk meerwaarde. Er kan een plan van aanpak worden gemaakt, door de GI zicht worden gekregen en regie worden gevoerd. Als er zicht is en de hulpverlening staat, kan gekeken worden of er teruggegaan kan worden naar het vrijwillig kader.
4.3.
De moeder vindt een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk en is het daarom niet eens met het verzoek. Er zijn in de afgelopen maanden in het vrijwillig kader veel stappen gezet. Het gaat wellicht niet in het tempo dat de Raad wil, maar het komt wel tot stand. De ouders hebben contact met elkaar over de kinderen. De kinderen videobellen twee keer per week met de vader. Er is afgesproken dat dit in de vakanties vaker kan. Er zijn redenen dat de omgang nog niet fysiek plaatsvindt, maar hier wordt wel aan gewerkt door de moeder. De situatie bij de vader is voor de kinderen ingrijpend en zeer emotioneel onveilig geweest. Het vertrouwen van de moeder in de vader was weg. Het zou onverantwoord zijn als zij de kinderen zomaar weer bij de vader laat zijn. Het is een onderwerp van gesprek tussen de ouders. De moeder heeft zorgen over [minderjarige 1]. Zij zit al op speciaal onderwijs. Zij krijgt nu hulpverlening van [hulpverlening 2], maar de moeder heeft een andere visie op wat [minderjarige 1] nodig heeft. De moeder wil met de gemeente kijken voor een behandeltraject voor [minderjarige 1]. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] starten binnenkort met speltherapie. De moeder start binnenkort met individuele psychische hulpverlening. Het gedwongen kader zal weinig toevoegen en zal enkel de druk op haar vergroten. Een plan van aanpak kan ook door de GGZ [hulpverlening 1] en bij de gemeente worden gemaakt. Zij heeft nu contact met vaste medewerkers daarvan en dat is prettig.
4.4.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij een andere visie heeft over wat [minderjarige 1] nodig heeft dan de hulpverlening die zij nu krijgt. [minderjarige 1] is, net als hij, een beelddenker en zij heeft een andere manier van hulpverlening nodig. De vader vindt dat er goed contact is met de moeder. Hij geeft de moeder de rust en de ruimte om weer vertrouwen in hem op te bouwen. De vader verwacht niet dat een ondertoezichtstelling helpend zal zijn. Als er meer zorgverleners bij komen, ontstaat er meer onrust.
4.5.
De GI heeft aangegeven dat zij bij een ondertoezichtstelling regie kan voeren om de doelen te bereiken. Er kan dan zicht komen welke hulpverlening er al is en wat nodig en passend is. De GI hoort een verschil van visie tussen de ouders en de hulpverlening, waardoor het risico bestaat dat hulpverlening tot stilstand komt. Als de ouders er niet samen of met de hulpverlening uitkomen, kan de GI de hulpverlening inzetten die nodig is in het belang van de kinderen, bijvoorbeeld ten aanzien van de hulpverlening voor de kinderen, de verhouding tussen de ouders of over de omgangsregeling. Er is sprake van een wachtlijst bij de GI, zelfs voordat het Provinciaal Instroomteam (PIT) kan starten. Er zal eerst door een medewerker gemonitord worden. Een plan van aanpak wordt pas opgesteld als een medewerker van het PIT is aangesteld. De GI kan niet zeggen hoelang het duurt voordat het PIT betrokken wordt. Dit kan enkele maanden duren.
De nadere beoordeling door de kinderrechter
4.6.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
4.7.
Uit de overlegde stukken en uit de mondelinge behandeling blijkt dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen hebben ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zij zijn getuige geweest van conflicten en spanningen tussen de ouders. De ouders zijn ook niet altijd emotioneel beschikbaar voor de kinderen geweest door persoonlijke problematiek en overbelasting. Bij [minderjarige 1] is er sprake van emotieregulatieproblematiek, mogelijk voortkomend uit trauma’s en hechtings-problemen. Haar schoolgang is beperkt. Eind september 2024 hebben de kinderen een zeer emotioneel onveilige gebeurtenis meegemaakt met de vader toen hij in verwarde toestand met de kinderen is aangetroffen in het ziekenhuis en heeft gezegd zijn familie iets aan te gaan doen. De vader is een periode opgenomen en daarna dakloos geweest. Het contact tussen de kinderen en de vader is beperkt tot wekelijks videobellen. Er zijn zorgen over het opvoedgedrag en de draagkracht van de moeder in de opvoeding van de kinderen. Tevens zijn er zorgen over de onderlinge verhouding en samenwerking tussen de ouders.
4.8.
De vraag die door de kinderrechter beantwoord dient te worden is of de zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen in voldoende mate in het vrijwillig kader door de ouders wordt geaccepteerd.
4.9.
Er zijn ook in de afgelopen periode stappen gezet, met name door de moeder. GGZ [hulpverlening 1] is nog steeds in het gezin betrokken. [minderjarige 1] krijgt ondersteuning vanuit [hulpverlening 2]. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] starten binnenkort met speltherapie. De moeder heeft ervoor gezorgd dat zij binnenkort ook psychologische ondersteuning krijgt voor zichzelf. Het huis van de moeder is netter en er wordt gezien dat zij werkt aan de adviezen over haar opvoedingsgedrag. De vader heeft inmiddels weer een eigen woonruimte. Het is goed dat deze vooruitgang er is.
4.10.
De kinderrechter constateert echter ook dat er geen evenwicht is tussen de ouders en dat er daardoor een gebrek aan balans in het gezin is. Dit vormt een risico in het kader van de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De moeder is bepalend in het geheel. De vader staat (ver) op de achtergrond en heeft een ondergeschikte rol. Er is geen sprake van uitvoering van gezamenlijke ouderschap. Onduidelijk is ook wat ouders hierbij voor ogen staat. Er is geen zicht op ieders kwaliteiten en valkuilen. Gecombineerd met de zorgen rond de kinderen, in het bijzonder [minderjarige 1], acht de kinderrechter het vrijwillig kader op dit moment te risicovol. Duidelijk is dat de moeder veel inzet toont voor haar kinderen. Aan de andere kant vult zij die inzet in vanuit haar eigen gedachtegangen en patronen en laat zij daar weinig ruimte en flexibiliteit in zien. De vader benoemt dat hij een andere visie heeft, maar houdt zich (vooralsnog) op de achtergrond.
4.11.
De kinderrechter is daarnaast gebleken dat de ouders op bepaalde onderdelen ook een andere visie hebben dan de hulpverlening heeft, bijvoorbeeld over de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 1]. In het vrijwillig kader zijn de ouders leidend. Er is dus op dit moment geen regie door een professional die kan bepalen wat voor [minderjarige 1] en de twee ander kinderen aan hulp dient te worden ingezet. Er zijn zorgen op meerdere gebieden binnen het gezin, over de ontwikkeling van de kinderen, over de persoonlijke problematiek en belastbaarheid van de ouders, over het contact tussen de kinderen en de vader en over de verhouding en communicatie tussen de ouders. De ouders kampen ieder met eigen problematiek. De moeder zal hiervoor een behandeltraject gaan volgen. Dat is goed. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader weinig zelfinzicht toont in de hulpverlening die hij mogelijk nodig heeft. Binnen de ondertoezichtstelling kan dit niet opgelegd worden, maar dit kan wel van invloed zijn op de beoordeling van het ouderschap van de vader. Die beoordeling kan niet alleen aan de moeder overgelaten worden in deze situatie met zorgen op meerdere gebieden.
4.12.
De ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen door de zorgen op meerdere gebieden is in de afgelopen maanden onvoldoende verminderd c.q. weggenomen. Het is onduidelijk of de zorg die is ingezet voldoende is en in hoeverre de ouders gezamenlijk in staat zijn de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Op dit moment ontbreekt er zicht en sturing op het gehele gezinssysteem. Binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling kan de GI hulpverlening inzetten en regie voeren, ook als de ouders het niet met elkaar eens zijn of de ouders het niet eens zijn met de visie van de hulpverlening, en daarnaast overzicht houden op het totaalbeeld van de zorgen op meerdere gebieden binnen het gezin om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen.
4.13.
De kinderrechter stelt op basis van het voorgaande vast dat de zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen op dit moment onvoldoende door de ouders wordt geaccepteerd. Daarmee is aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van de kinderen voldaan.
4.14.
De Raad heeft de volgende doelen aangegeven:
- de kinderen ervaren duidelijkheid over de rol en positie van vader en hebben een onbelast en (emotioneel) veilig contact met vader.
- de kinderen groeien op in een (emotioneel) veilige, voorspelbare opvoedingsomgeving, waarbinnen oog is voor de behoeften/gevoelens van hen en hier ook door ouders adequaat op wordt gereageerd.
- de kinderen krijgen de hulp die aansluit bij hun behoeften om de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden te verwerken.
Specifieke doelen ten aanzien van [minderjarige 1]:
- [minderjarige 1] gaat structureel naar school of volgt een dagbesteding, waar ze succeservaringen in kan opdoen
- [minderjarige 1] heeft een positief zelfbeeld en ontwikkelt zelfvertrouwen
- [minderjarige 1] kan sociale contacten aangaan en onderhouden met leeftijdsgenoten
- [minderjarige 1] kan op een adequate wijze met haar emoties omgaan; dit houdt in dat ze haar (oplopende) emoties (op tijd) herkent en dat ze bij overweldigende emoties deze voldoende (met hulp) kan reguleren.
De kinderrechter voegt hieraan toe:
- de balans in het gezamenlijk ouderschap en in het gezin is evenwichtig.
4.15.
De kinderrechter acht een plan van aanpak van de GI nodig. Hoewel de kinderrechter begrip heeft voor de situatie dat de GI kampt met een tekort aan personeel, vindt hij het onacceptabel dat door de wachtlijst van de GI er in de komende maanden geen plan van aanpak opgesteld kan worden. De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk. De GI heeft, net als andere gecertificeerde instellingen, een maatschappelijke verantwoordelijkheid om in het belang van de kinderen voortvarend te werk te gaan. Daarvan is geen sprake met enkel monitoring gedurende maanden zonder plan van aanpak. Niet voor niets staat in artikel 4.1.3. lid 5 van de Jeugdwet de verplichting voor de GI om binnen zes weken een plan van aanpak vast te stellen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij binnen zes maanden aan de kinderrechter een plan van aanpak overlegt. De GI dient daarbij ook zicht te hebben op welke zorg noodzakelijk is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen op de meerdere gebieden en of deze zorg in voldoende mate door de ouders wordt geaccepteerd.
4.16.
De kinderrechter zal de kinderen onder toezicht stellen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige aanhouden tot een nader te plannen mondelinge behandeling. Het zittingsrooster van de rechtbank laat het niet toe om op dit moment een nadere dag en tijdstip te plannen waarop de zitting kan worden voortgezet. Daarom zal de zaak worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum, waarna de zaak zal worden gepland op een zitting. Tot die datum kunnen partijen eventuele verhinderdata aan de rechtbank doorgeven.
4.17.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op de pro forma datum het plan van aanpak te overleggen en schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregel en de hulpverlening, alsmede of de noodzakelijke zorg in voldoende mate door de ouders wordt geaccepteerd.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt de kinderen onder toezicht van de GI met ingang van 30 december 2025 tot 30 juni 2026;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling aan tot
dinsdag 19 mei 2026 pro formaen verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op deze pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en voormelde afloopdatum van de ondertoezichtstelling, te plannen op een nader te bepalen zitting en partijen daarvoor tijdig op te roepen;
5.4.
verzoekt aan de GI om uiterlijk op voormelde pro forma datum het plan van aanpak over te leggen aan de kinderrechter, de ouders en de Raad en schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregel, zoals overwogen onder 4.17;
5.5.
verzoekt aan de Raad om de rechtbank daarna te berichten of hij het resterende deel van het verzoek handhaaft;
5.6.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.