Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:9708

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/02/421689 / HA ZA 24-204 (T) en C/02/427903 / HA ZA 24-592 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Hermans
  • Luijks
  • Vogelzang
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:10 BWArt. 2:394 BWArt. 106c FwArt. 233 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en zorgfraude bij faillissement Het Zorgpunt

Het Zorgpunt B.V. werd in 2020 failliet verklaard na beslaglegging door het Openbaar Ministerie en het niet verlengen van een contract door VGZ vanwege vermoedens van zorgfraude. De curator stelt de bestuurders aansprakelijk voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders inderdaad aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW Pro, omdat Het Zorgpunt meer zorg heeft gedeclareerd dan geleverd, wat een ernstige normschending inhoudt.

De bestuurders betwisten de zorgfraude en wijzen op het ontbreken van hoor en wederhoor in de onderzoeken van Inspectie SZW en VGZ, alsmede op een rapport dat een aansluiting tussen uren en omzet suggereert. De rechtbank acht de curator voldoende onderbouwd en stelt vast dat de omzet van Het Zorgpunt in verhouding tot de inkoopkosten onverklaarbaar hoog is, wat wijst op fraude. De rol van een voormalig bestuurder als feitelijk beleidsbepaler wordt bevestigd, waardoor ook hij hoofdelijk aansprakelijk is.

De curator vordert tevens een bestuursverbod, waarvoor de rechtbank de betrokken vennootschappen om een zienswijze vraagt. In de vrijwaringszaak worden de vorderingen tegen een medewerker en de boekhouder afgewezen, omdat hun eventuele tekortkomingen niet leiden tot aansprakelijkheid jegens de bestuurders die zelf onbehoorlijk hebben gehandeld. Conservatoir beslag op de medewerker wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid. De rechtbank wijst de vorderingen van de curator toe, met een voorschot op de schadestaat en legt proceskostenveroordelingen op aan de bestuurders.

Uitkomst: De bestuurders van Het Zorgpunt worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur door zorgfraude; vrijwaringsvorderingen worden afgewezen en conservatoir beslag opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer in de hoofdzaak: C/02/421689 / HA ZA 24-204
Zaaknummer in de vrijwaringszaak: C/02/427903 / HA ZA 24-592
Vonnis van 24 december 2025
in de hoofdzaak van
MR. [curator] ,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
HET ZORGPUNT B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. D.T.M. Daamen,
tegen

1.[B.V. 1] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
2.
[persoon 1],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
3.
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [partij] ,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters.
en
in de vrijwaringszaak van

1.[B.V. 1] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
2.
[persoon 1],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
3.
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [partij] ,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters,
tegen

1.[persoon 3] ,

te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [persoon 3] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. N. Vis,
2.
FINANCIAL PLAZA B.V.,
te Sprang-Capelle,
hierna te noemen: Financial Plaza,
gedaagde partij,
advocaat: mr. H.P. Hieltjes.

1.De zaak in het kort

1.1.
Het Zorgpunt is in 2020 failliet verklaard nadat er door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beslag was gelegd en VGZ geen nieuw contract wilde afsluiten vanwege het vermoeden van zorgfraude. De curator van Het Zorgpunt stelt [partij] in deze als (feitelijk) bestuurders van Het Zorgpunt aansprakelijk voor het boedeltekort omdat er volgens hem sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelt dat [partij] aansprakelijk zijn. De curator vordert ook dat een bestuursverbod wordt opgelegd. De wet vereist dat alle vennootschappen waarbij de bestuurders betrokken zijn hierover een zienswijze moeten geven. De rechtbank geeft hier nog gelegenheid toe.
1.2.
In de vrijwaring stellen [partij] dat [persoon 3] , die de declaraties voor Het Zorgpunt klaarzette, en Financial Plaza, die de boekhouding van Het Zorgpunt deed, haar moeten vrijwaren voor de aansprakelijkheid. De rechtbank wijst de vorderingen van [partij] af. In voorwaardelijke reconventie vordert [persoon 3] dat de ten laste van hem door [partij] gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven. Die vordering wijst de rechtbank toe.
1.3.
Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.

2.De procedure in de hoofdzaak

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 2 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
– de akte overlegging aanvullende producties van de curator met producties 36
tot en met 50;
– de akte overleggen producties tevens houdende verzoek ex artikel 233 lid 3 Rv Pro
van [partij] , met producties 56 tot en met 64;
– de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
– de spreekaantekeningen aan de zijde van [partij] voor zover deze tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De procedure in de vrijwaringszaak

3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 2 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
– de conclusie van antwoord in reconventie;
– productie 13 van [persoon 3] ;
– de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
– de spreekaantekeningen aan de zijde van [partij] voor zover deze tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen;
– de spreekaantekeningen aan de zijde van Financial Plaza voor zover deze tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

4.De feiten

4.1.
Op 9 november 2015 is Het Zorgpunt B.V. (hierna: Het Zorgpunt) opgericht. Het Zorgpunt exploiteerde een onderneming actief in de thuiszorg in de regio’s Eindhoven, Waalwijk en ’s-Hertogenbosch. [1]
4.2.
Enig bestuurder en aandeelhouder van Het Zorgpunt is [B.V. 1] . De enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 1] is [persoon 1] . Tot 18 september 2017 was de echtgenoot van [persoon 1] , [persoon 2] , enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 1] . [2] Daarna is [persoon 2] binnen Het Zorgpunt actief gebleven als financieel directeur.
4.3.
In de beginjaren leverde Het Zorgpunt ongecontracteerde zorg. Daarbij maakte zij gebruik van een plannings- en facturatieprogramma genaamd ‘Thuiszorgplanner’.
4.4.
Het Zorgpunt wilde vanaf 2019 overgaan naar gecontracteerde zorg. Om in aanmerking te komen voor een overeenkomst met zorgverzekeraar VGZ, de grootste opdrachtgever van Het Zorgpunt, verlangde VGZ dat de overstap werd gemaakt naar een ander softwareprogramma voor de planning en het declaratieproces.
4.5.
In 2017 heeft Het Zorgpunt daarom het programma ‘Ons’ van Nedap aangeschaft. De overstap van ‘Thuizorgplanner’ naar ‘Ons’ is medio 2017 ingezet, waarbij Adcase B.V. als Nedap-specialist in de arm is genomen.
4.6.
Het Zorgpunt was niet tevreden met Adcase B.V. en heeft vervolgens [persoon 3] , die werkzaam was bij Adcase B.V., gevraagd om de werkzaamheden in het kader van het Ons-programma over te nemen. [persoon 3] heeft deze werkzaamheden verricht vanuit zijn eenmanszaak.
4.7.
In maart 2018 heeft [partij] JM Corporate Finance B.V. gevraagd om [partij] te begeleiden bij een mogelijke verkoop van Het Zorgpunt. [3] Een verkoop is in 2018 niet van de grond gekomen en het verkooptraject is in 2019 voortgezet.
4.8.
Naar aanleiding van een anonieme melding van 5 april 2018 over PGB-fraude is de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid (SZW) onder gezag van het Functioneel Parket te ’s-Hertogenbosch een opsporingsonderzoek onder de naam ‘ [onderzoek 1] ’ gestart naar Het Zorgpunt, [persoon 1] en [persoon 2] . [4]
4.9.
Op 21 augustus 2018 heeft er in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking plaatsgevonden van het bedrijfspand van Het Zorgpunt, de woning van [persoon 1] en [persoon 2] en het kantoor van Financial Plaza, de boekhouder van Het Zorgpunt. Er is administratie in beslag genomen en er zijn data veiliggesteld. [5]
4.10.
In 2018 hebben er drie dividenduitkeringen plaatsgevonden voor een bedrag van in totaal € 685.000,00. [6] Hierdoor ontstond een negatief eigen vermogen van € 41.000,00. [7]
4.11.
Op 12 december 2018 hebben Het Zorgpunt en VGZ een ‘Zorgovereenkomst Wijkverpleging 2019’ gesloten voor de levering van zorg door Het Zorgpunt aan verzekerden van VGZ in 2019. [8]
4.12.
Aanvankelijk werd het onderzoek ‘ [onderzoek 1] ’ in februari 2019 vroegtijdig gestopt vanwege capaciteitsproblemen bij het OM. In de loop van 2019 zijn er nieuwe feiten en omstandigheden bekend geworden, waarna het onderzoek ‘ [onderzoek 1] ’ is voorgezet.
4.13.
Naar aanleiding van de voortzetting van het onderzoek heeft op 10 december 2019 een ‘doorzoeking ter inbeslagname’ plaatsgevonden en zijn er door het Functioneel Parket ’s-Hertogenbosch diverse beslagen gelegd onder [persoon 1] , [persoon 2] en Het Zorgpunt. [9] Door het beslag op de bankrekening van Het Zorgpunt is een bedrag van € 171.803,21 geblokkeerd, waarvan het OM begin 2020 € 80.000,00 heeft vrijgegeven. [10]
4.14.
In 2019 heeft JM Corporate Finance B.V in het kader van het verkooptraject van Het Zorgpunt vragen gesteld over discrepanties tussen geplande uren en gedeclareerde uren. Die vragen zijn doorgezet naar [persoon 3] . [11] In ieder geval één potentiële koper heeft zich teruggetrokken vanwege deze discrepanties.
4.15.
In augustus 2019 heeft VGZ een materiële controle aangekondigd bij Het Zorgpunt.
4.16.
In september 2019 werd Het Zorgpunt genoemd in het onderzoek [onderzoek 2] als een zorginstelling die over de jaren 2017 en 2018 onverklaarbare hoge winsten behaalde. [12]
4.17.
Op 19 december 2019 is VGZ een fraudeonderzoek gestart. Op 20 december 2019 heeft VGZ aan Het Zorgpunt laten weten dat zij niet meer in aanmerking komt voor een overeenkomst wijkverpleging voor het jaar 2020. [13]
4.18.
Op 3 maart 2020 is Het Zorgpunt op eigen aangifte failliet verklaard met aanstelling van mr. De Klerk als curator. [14]
4.19.
Na het faillissement is zowel het strafrechtelijk onderzoek als het onderzoek van VGZ voortgezet.
4.20.
Bij brief van 27 oktober 2020 heeft [partij] Financial Plaza aansprakelijk gesteld. [15]
4.21.
Het onderzoek van VGZ ziet op de rechtmatigheid van de door Het Zorgpunt ingediende declaraties in de periode 15 juni 2016 tot en met 3 maart 2020. In haar rapport heeft VGZ geconcludeerd dat Het Zorgpunt stelselmatig zorg heeft gedeclareerd die feitelijk niet is geleverd, onbevoegd personeel heeft ingezet en een onvolledige administratie heeft gevoerd. [16] VGZ heeft naar aanleiding van het fraudeonderzoek een vordering van € 1.587.576,00 ter verificatie ingediend in het faillissement. [17]
4.22.
De curator heeft het concept rapport van VGZ op 28 april 2023 voorgelegd aan [persoon 1] en [persoon 2] . [18] Bij e-mail van 9 mei 2023 is daarop gereageerd. [19]
4.23.
In opdracht van [partij] heeft de heer [naam 1] , accountant, op 31 januari 2023 een rapport uitgebracht, waarin hij schrijft: [20]

Samenvattendkan worden gesteld dat de aansluiting uren en omzet 2018 en 2019 benaderbaar zijn en het overschot en tekort tussen beide jaren nagenoeg nihil verschil tonen.”
4.24.
De curator heeft het rapport van [naam 1] en de reactie van [partij] op zijn vragen voorgelegd aan VGZ. VGZ heeft daarin geen aanleiding gezien om haar rapport te herzien. [21]
4.25.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 5 maart 2024 zowel [persoon 1] als [persoon 2] veroordeeld voor witwissen met een onbekend gronddelict tot een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. [22] Het vonnis verwijst onder meer naar het onderzoek van de Inspectie SZW die heeft berekend dat Het Zorgpunt in de jaren 2018 en 2019 ten minste 33.795 uren aan capaciteit tekort kwam om de gedeclareerde zorg te leveren. Daarmee heeft Het Zorgpunt in 2018 en 2019 een onverklaarbare omzet behaald van € 1.677.818,00. [23] De rechtbank Oost-Brabant schrijft in haar vonnis dat het rapport van [naam 1] geen aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van het onderzoek van de Inspectie SZW naar de omvang van onjuist gedeclareerde uren.
4.26.
Op 14 maart 2024 heeft de curator, na daartoe verkregen verlof, conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken van [persoon 1] en [persoon 2] . [24]
4.27.
Bij brief van 8 juli 2024 heeft [partij] [persoon 3] aansprakelijk gesteld. [25]
4.28.
Op 7 november 2024 heeft [partij] conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [persoon 3] onder de Belastingdienst, ING Bank, Rabobank, DDNW Holding B.V. en NO Worries Advies & Coaching B.V. De beslagen hebben gedeeltelijk doel getroffen. [26]
4.29.
[persoon 3] en zijn echtgenote zijn de bestuurders van DDNW Holding B.V. die op haar beurt aandeelhouder en bestuurder is van NO Worries Advies & Coaching B.V. [27]
4.30.
[B.V. 1] (en daarmee indirect [persoon 1] ) is ook aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2] [28]

5.Het geschil

in de hoofdzaak
5.1.
De curator vordert – samengevat – , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
een verklaring voor recht dat [partij] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van Het Zorgpunt;
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het boedeltekort (per februari 2024 begroot op € 1.965.126,09 (+ PM)), een en ander nader op te maken bij staat;
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de veroordeling onder B. van € 1.500.000,00;
aan [partij] een bestuursverbod op te leggen voor de duur van vijf jaar vanaf het moment dat de uitspraak in deze procedure in kracht van gewijsde is gegaan;
Subsidiair
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het boedeltekort in het faillissement van Het Zorgpunt te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het faillissement, nader op te maken bij staat;
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.087.817,69 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het faillissement van Het Zorgpunt;
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de veroordeling onder E. en F. ter hoogte van een bedrag van € 1.500.000,00;
Zowel primair als subsidiair
[partij] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten inclusief beslag- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.2.
[partij] voeren verweer. [partij] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
In conventie
5.4.
[partij] vorderen – samengevat – dat [persoon 3] en Financial Plaza hoofdelijk worden veroordeeld om aan [partij] te betalen al hetgeen waartoe [partij] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 3] en Financial Plaza in de kosten van de vrijwaring te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.5.
[persoon 3] en Financial Plaza voeren verweer. [persoon 3] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente. Financial Plaza concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
5.7.
[persoon 3] vordert – samengevat – onder de voorwaarde dat de vorderingen van [partij] worden afgewezen, een verklaring voor recht dat de door [partij] ten laste van [persoon 3] gelegde beslagen onrechtmatig zijn en deze op te heffen, althans [partij] te veroordelen om deze met onmiddellijke ingang op te heffen op verbeurte van een dwangsom van € 500,00, met veroordeling van [partij] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.8.
[partij] voeren verweer. [partij] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 3] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 3] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 3] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.De beoordeling

in de hoofdzaak
Er is sprake van onbehoorlijk bestuur
6.1.
De curator stelt dat Het Zorgpunt stelselmatig meer zorg heeft gedeclareerd dan dat zij heeft geleverd. Volgens de curator is sprake van zorgfraude. Zorgfraude levert kennelijk onbehoorlijk bestuur op in de zin van artikel 2:248 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Ook is er volgens de curator sprake van een schending van de administratieplicht van artikel 2:10 lid 1 BW Pro, de bewaarplicht van artikel 2:10 lid 3 BW Pro en de deponeringsplicht van artikel 2:394 lid 1 BW Pro, waardoor vast staat dat het bestuur van Het Zorgpunt zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld.
6.2.
[partij] wijzen er op dat de rechtbank Oost-Brabant in haar strafvonnis geen zorgfraude bewezen heeft verklaard. [persoon 1] en [persoon 2] zijn veroordeeld voor witwassen en zijn tegen dit vonnis bovendien in hoger beroep gegaan. De curator baseert zijn stelling dat sprake is van zorgfraude volledig op de onderzoeken van de Inspectie SZW en VGZ. Die onderzoeken zijn maar gebaseerd op een deel van de administratie en hoor en wederhoor is niet toegepast. Tijdens de ontruiming van het kantoor in Eindhoven na het uitspreken van het faillissement is een deel van de administratie door een medewerker van Het Zorgpunt weggegooid. Die administratie is niet meegenomen in de onderzoeken. De Inspectie SZW heeft volgens [partij] bovendien zelf geconcludeerd dat van zorgfraude geen sprake is. [partij] wijzen verder op het rapport van [naam 1] waaruit volgt dat wel een aansluiting is te maken tussen de uren en de omzet. En als zorgfraude al vastgesteld zou kunnen worden, dan kan dit niet de conclusie dragen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, aldus [partij] betwisten ook dat de administratieplicht, bewaarplicht en deponeringsplicht zijn geschonden.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de curator voldoende heeft gesteld en [partij] onvoldoende hebben betwist dat Het Zorgpunt meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft geleverd. De curator onderbouwt zijn stelling met de bevindingen van de Inspectie SZW en het rapport van VGZ. Beide concluderen dat sprake is van een gedeclareerde omzet die niet verklaard kan worden met de beschikbare capaciteit van Het Zorgpunt. [partij] betwisten deze bevindingen, maar hebben niet weersproken dat de omzet van Het Zorgpunt behoorlijk hoog is ten opzichte van de inkoopkosten (personeel en zzp’ers). Bij Het Zorgpunt zijn de inkoopkosten in verhouding tot de omzet volgens de jaarrekening 52,4% in 2018 en 46,8% in 2017. [29] Dit is opvallend laag, omdat er sprake is van één op één zorg. Ook de winst van Het Zorgpunt is opmerkelijk. Niet betwist is dat een winst van circa 3% gebruikelijk is voor een thuiszorgonderneming. Het Zorgpunt had een winstpercentage van 32,6% in 2017 en 33,2 % in 2018. [30] [partij] hebben hier geen verklaring voor gegeven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de Inspectie SZW haar bevindingen goed heeft onderbouwd. Zij heeft bijvoorbeeld wat betreft de uren van de zzp’ers gekeken naar de bankmutaties en is van daaruit alle facturen langsgelopen in de administratie van Het Zorgpunt. [31] [partij] hebben tegenover de bevindingen van Inspectie SZW alleen het rapport van [naam 1] gesteld. Dit rapport is echter niet gebaseerd op een onderzoek naar de onderliggende administratie, maar op aannames en gegevens die [naam 1] heeft verkregen van [persoon 2] . Het rapport van [naam 1] geeft evenmin een verklaring voor de scheve verhouding tussen inkoopkosten en omzet. [partij] stellen verder nog dat er administratie lag in Eindhoven die is weggegooid onder verantwoordelijkheid van de curator. Er zouden volgens [partij] meer zzp’ers zijn. De rechtbank overweegt echter dat de (totale) kosten van deze zzp’ers terug zouden moeten komen in de jaarrekeningen. Dat er al dan niet administratie zou ontbreken maakt in dat licht niet uit, omdat aangenomen mag worden dat deze is verwerkt in de jaarrekeningen. Gelet op het voorgaande hebben [partij] onvoldoende gemotiveerd betwist dat er meer zorg is gedeclareerd dan is geleverd.
6.4.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als geen weldenkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben. [32] Geen weldenkend bestuurder in de zorg zou meer declareren dan er daadwerkelijk aan zorg is geleverd. Dit levert fraude op. Daarmee is er sprake van onbehoorlijk bestuur.
Het kennelijk onbehoorlijk bestuur is een belangrijke oorzaak van het faillissement
6.5.
De curator stelt dat de zorgfraude een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Uit de notulen van de algemene vergadering van Het Zorgpunt blijkt dat volgens het bestuur het beslag van het OM en het niet aanbieden van een nieuw contract door VGZ de directe redenen zijn voor het aanvragen van het faillissement. Zonder het beslag had Het Zorgpunt de lopende kosten kunnen betalen. [33] Deze gebeurtenissen houden verband met de (verdenkingen van) het frauduleuze handelen. Zonder het frauduleuze handelen had het faillissement van Het Zorgpunt niet aangevraagd hoeven te worden, aldus de curator.
6.6.
[partij] betwisten het causaal verband. Volgens hen is het faillissement weliswaar veroorzaakt door de beslagen van het OM en doordat VGZ geen nieuwe overeenkomst voor 2020 heeft aangeboden, maar is de conclusie dat sprake is van zorgfraude gebaseerd op onvolledig onderzoek dat geen aanleiding had mogen zijn hiervoor. Bovendien is de positie van de vennootschap niet verslechterd als er meer zorg is gedeclareerd dan geleverd. Dat levert de vennootschap immers meer liquide middelen op.
6.7.
De rechtbank volgt dit standpunt van [partij] niet. Vast staat dat het faillissement is veroorzaakt door de beslaglegging door het OM en doordat VGZ geen nieuwe overeenkomst meer is aangegaan met Het Zorgpunt. Deze gebeurtenissen hangen direct samen met het vermoeden van zorgfraude, de vaststelling dat er meer zorg is gedeclareerd dan is geleverd, en daarmee met het hiervoor vastgestelde kennelijk onbehoorlijk bestuur. Zonder deze gebeurtenissen was Het Zorgpunt niet failliet gegaan.
[B.V. 1] , [persoon 1] en [persoon 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk
6.8.
[B.V. 1] is als bestuurder van Het Zorgpunt op grond van artikel 2:248 lid 1 BW Pro aansprakelijk voor het boedeltekort. Op grond van artikel 2:11 BW Pro rust de aansprakelijkheid hoofdelijk op [persoon 1] als bestuurder van [B.V. 1] .
6.9.
De curator stelt dat de aansprakelijkheid ook hoofdelijk rust op [persoon 2] op grond van artikel 2:248 lid 7 BW Pro. [persoon 2] was de feitelijk beleidsbepaler van Het Zorgpunt, aldus de curator. Ter zitting heeft de curator hier nog aan toegevoegd dat [persoon 2] tot september 2017 statutair bestuurder was van Het Zorgpunt. Ook in 2017 heeft VGZ zorgfraude vastgesteld. [34] [partij] betwisten dat [persoon 2] feitelijk beleidsbepaler was van Het Zorgpunt. Volgens [partij] heeft de curator zelf geen onderzoek naar de rol van [persoon 2] gedaan. Dat [persoon 2] feitelijk beleidsbepaler zou zijn, kan niet worden afgeleid uit het strafvonnis, noch uit het feit dat [persoon 2] na het uitspreken van het faillissement de contactpersoon was van de curator.
6.10.
Vast staat dat [persoon 2] tot 18 september 2017 bestuurder was van Het Zorgpunt. [partij] hebben niet betwist dat het hiervoor vastgestelde onbehoorlijk bestuur ook betrekking heeft op 2017. Het Zorgpunt is failliet verklaard op 3 maart 2020. Op grond van artikel 2:248 lid 6 BW Pro kan een vordering worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement. [persoon 2] is daarmee ook hoofdelijk aansprakelijk als bestuurder over de periode 3 maart 2017 tot 18 september 2017.
6.11.
Voor de periode van 18 september 2017 tot aan het faillissement is de rechtbank van oordeel dat [persoon 2] een feitelijk beleidsbepaler was van Het Zorgpunt zoals bedoeld in artikel 2:248 lid 7 BW Pro. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 volgt dat of iemand het beleid van een vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, en dus kan worden aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW Pro, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De feitelijk beleidsbepaler moet zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid hebben toegeëigend, en op die manier het beleid hebben bepaald of mede hebben bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord ‘mede’ in artikel 2:248 lid 7 BW Pro kan worden afgeleid dat van zodanige beleidsbepaling ook sprake kan zijn in de situatie dat daarnaast een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder uitoefenen. [35] Vast staat dat [persoon 2] , na het aantreden van [persoon 1] als bestuurder, financieel directeur was van Het Zorgpunt. Naar eigen zeggen hield hij zich bezig met de financiën en dan in het bijzonder met de groei van de onderneming. Vast staat ook dat [persoon 2] de declaraties van Het Zorgpunt die door [persoon 3] werden klaargezet, accordeerde. Daarnaast verklaren alle betrokkenen – de curator, [persoon 3] en de heer [naam 2] van Financial Plaza – dat [persoon 2] voor hen het aanspreekpunt was van Het Zorgpunt en dat zij maar zelden contact hadden met [persoon 1] . [persoon 2] heeft vervolgens geen nader inzicht gegeven in de precieze taakverdeling binnen Het Zorgpunt. Gelet daarop heeft [persoon 2] onvoldoende gemotiveerd de stelling betwist dat hij het beleid van Het Zorgpunt mede heeft bepaald als ware hij bestuurder van Het Zorgpunt. [persoon 2] is op grond hiervan naast [B.V. 1] en [persoon 1] hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort.
Geen matiging
6.12.
[partij] stellen dat er gronden zijn voor matiging in de zin van artikel 2:248 lid 4 BW Pro tot nihil, omdat:
door de schuld van de curator een groot deel van de fysieke administratie van Het Zorgpunt teniet is gegaan, waardoor [partij] niet in staat zijn zich te verweren;
het faillissement is veroorzaakt door het handelen van het OM;
de curator geen eigen rechtmatigheidsonderzoek heeft verricht;
er gebreken kleven aan het rapport van VGZ en de curator dit gebrekkige onderzoek actief heeft gefaciliteerd;
de omvang van het boedeltekort grotendeels bestaat uit de vordering van VGZ en het aanzienlijke salaris van de curator;
de vennootschap niet in een slechtere positie is gekomen als uitgegaan wordt van de stelling dat er meer is gedeclareerd dan is geleverd.
6.13.
Op grond van artikel 2:248 lid 4 BW Pro kan de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond. De rechtbank ziet in de door [partij] aangevoerde gronden geen reden tot matiging, mede gelet op de ernst van het hiervoor vastgestelde onbehoorlijk bestuur.
6.14.
[partij] stellen dat de curator niet efficiënt heeft gewerkt. Zo heeft de curator veel uren gestoken in het innen van pre-faillissementsdebiteuren, terwijl geen euro is geïnd. Voor het leeuwendeel bestonden de pre-faillissementsdebiteuren ook uit een vordering op VGZ. De curator wist dat VGZ zich zou beroepen op verrekening, dan wel op onverschuldigde betaling. De uren van de curator ten opzichte van het vrij actief zijn fors. Per 22 november 2021 bedraagt het vrije actief € 263.707,64 en zijn door de curator 551 uren besteed aan het faillissement. Per 26 november 2024 bedraagt het vrije actief € 294.289,41 en zijn er door de curator 926 uren besteed aan het faillissement. Aan salaris werd vooralsnog € 255.304,01 toegekend. De concurrente schuldenlast zonder VGZ (€ 79.407,87) en de preferente schuldenlast zijn beperkt. [partij] stellen dat de curator niet meer voor de gezamenlijke schuldeisers opkomt, maar enkel ten faveure van VGZ en zijn eigen salaris. De curator had ook kritisch moeten zijn tegenover de aard en de omvang van de door VGZ gestelde schadelast. [partij] stellen daarom dat maar 50% van het salaris van de curator meegenomen zou moeten worden in de omvang van het boedeltekort.
6.15.
De rechtbank ziet ook in het voorgaande geen reden tot matiging van het bedrag waarvoor [partij] aansprakelijk zijn. Onvoldoende is gesteld dat de uren die de curator heeft gemaakt gelet op de aard van het faillissement onredelijk zijn. [partij] stellen in zijn algemeenheid dat de uren van de curator hoog zijn, maar onderbouwen onvoldoende welke uren de curator nodeloos zou hebben gemaakt.
Verklaring voor recht, schadestaat en voorschot
6.16.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank de door de curator primair gevorderde verklaring voor recht dat [partij] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort, zal toewijzen. De rechtbank zal de zaak, zoals gevorderd, op grond van artikel 2:248 lid 5 BW Pro verwijzen naar de schadestaatprocedure om de omvang van het boedeltekort vast te stellen.
6.17.
De curator vordert onder C. een voorschot van € 1.500.000,00 op het boedeltekort dat hij per februari 2024 begroot op € 1.965.126,09. [partij] betwisten de hoogte van dit boedeltekort en dan met name de door VGZ ingediende vordering ter hoogte van € 1.587.576,00. Gelet op deze betwisting en het feit dat de hoogte van het boedeltekort in de schadestaat nog moet worden vastgesteld, zal de rechtbank een voorschot van € 400.000,00 toewijzen.
Zekerheidstelling op grond van artikel 233 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
6.18.
[partij] hebben de rechtbank verzocht aan de door de curator gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde van zekerheidstelling in de zin van artikel 233 lid 3 Rv Pro te verbinden. [partij] wijzen er op dat de boedel nagenoeg leeg is.
6.19.
De curator refereert zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank.
6.20.
De rechtbank zal bepalen dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde wordt verbonden dat door de curator zekerheid wordt gesteld in de vorm van een bankgarantie overeenkomstig het NVB-model ten bedrage van € 400.000,00.
Zienswijze [B.V. 2] in het kader van het gevorderde bestuursverbod
6.21.
De curator vordert ten slotte een civielrechtelijk bestuursverbod. Op grond van artikel 106c lid 2 Faillissementswet (Fw) moet de rechtbank de rechtspersonen waarvan [partij] bestuurder of commissaris zijn, in de gelegenheid stellen hun zienswijze te geven over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan.
6.22.
De curator heeft een overzicht met rechtspersonen waarvan [partij] bestuurder of commissaris zijn in het geding gebracht. Uit dit overzicht blijkt dat [B.V. 1] ook bestuurder is van [B.V. 2] Deze vennootschap zal door de rechtbank om een zienswijze als bedoeld in artikel 106c Fw worden gevraagd.
6.23.
Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op de ontvangen zienswijzen te reageren.
6.24.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
in de vrijwaringszaak
in conventie
6.25.
In de hoofdzaak is geoordeeld dat [partij] aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement. [partij] stellen dat [persoon 3] en Financial Plaza haar daarvoor dient te vrijwaren. Volgens [partij] is [persoon 3] tekortgeschoten in de nakoming van zijn overeenkomst van opdracht met Het Zorgpunt en levert deze tekortkoming een onrechtmatige daad op jegens [partij] Hetgeen [partij] wordt verweten, is feitelijk uitgevoerd door [persoon 3] . [partij] stellen dat zij weinig tot geen kennis hadden van het Nedap-programma en de diverse processen in de zorgwereld. Achteraf is gebleken dat [persoon 3] structureel grote fouten heeft gemaakt in zijn werkzaamheden. [persoon 3] had zich bij de uitvoering van zijn opdracht de belangen van [partij] moeten aantrekken. Ten aanzien van Financial Plaza stelt [partij] dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij] Financial Plaza heeft [partij] foutief geadviseerd over de dividenduitkeringen en de door Financial Plaza opgestelde jaarrekening voldoet niet aan de regelgeving en is te laat gedeponeerd.
6.26.
[persoon 3] betwist dat hij aansprakelijk is. De uren werden in Ons gezet door de medewerkers van Het Zorgpunt. [persoon 3] heeft deze uren nooit goedgekeurd. Hij kon de uren ook niet controleren. Die verantwoordelijkheid ligt bij [partij] In opdracht van Het Zorgpunt verrichte [persoon 3] het declaratieproces, waarbij hij een test- en productiedeclaratie-bestand aanmaakte en voorlegde aan [persoon 2] . [persoon 2] controleerde dat bestand en gaf daar dan akkoord op, waarna de declaratie werd verzonden. In de strafprocedure heeft de rechtbank Oost-Brabant bovendien geoordeeld dat vast is komen te staan dat [persoon 2] en [persoon 1] bewust meer uren zorg hebben gedeclareerd bij zorgverzekeraars dan Het Zorgpunt heeft geleverd, dat zij een actieve rol hadden bij het declareren van niet verrichte zorg, dat zij wisten dat een deel van de gedeclareerde uren voor verrichte zorg niet was geleverd en dat zij derhalve weet hadden van de onjuiste declaraties. Die omstandigheid brengt mee dat – voor zover er sprake zou zijn van een tekortkoming – [persoon 3] niet op de gestelde wijze rekening hoefde te houden met de belangen van [partij]
6.27.
Ook Financial Plaza betwist aansprakelijkheid. Financial Plaza had enkel een overeenkomst met Het Zorgpunt en niet met [partij] kunnen dan ook enkel een beroep doen op aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Daarvan is geen sprake. Financial Plaza wist niets af van de fraude met zorggelden en behoorde dit ook niet te weten. Zij kreeg slechts de informatie aangeleverd van [partij] en verwerkte deze in de jaarrekening. De verwijten die [partij] maken, zijn allemaal omstandigheden die voor rekening van het bestuur van de vennootschap komen. Financial Plaza heeft in het kader van de dividenduitkeringen een uitkeringstoets gedaan. Er was geen reden om aan te nemen dat er toekomstige omstandigheden zouden voordoen die een negatief effect zouden hebben op de prognoses. Een andere handelwijze van Financial Plaza (ook ten aanzien van de jaarrekeningen en de deponering) had bovendien geen verandering in de situatie meegebracht. Het faillissement is het direct gevolg van het frauduleuze handelen van [partij] De zorgvuldigheidsnorm van een boekhouder strekt zich niet uit tot bescherming van frauderende bestuurders die persoonlijk aansprakelijk worden gehouden.
6.28.
In de hoofdzaak is geoordeeld dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur door [partij] omdat er meer zorg is gedeclareerd dan is geleverd. Dit is een ernstige normschending. [partij] wensen aansprakelijkheid voor dit onbehoorlijk bestuur af te wentelen op [persoon 3] , die door Het Zorgpunt was ingeschakeld voor de zorgdeclaraties, en op Financial Plaza, de boekhouder van Het Zorgpunt. Voor zover [persoon 3] en Financial Plaza al een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de te veel gedeclareerde zorg, kan dit niet leiden tot het oordeel dat zij daarmee onrechtmatig jegens [partij] hebben gehandeld. De door hen in dat geval jegens [partij] geschonden norm strekt niet ter bescherming van [partij] , nu [partij] zich als bestuurder van Het Zorgpunt zelf ook niet naar die norm hebben gedragen door meer zorg te declareren dan geleverd. [36] De rechtbank zal de vorderingen van [partij] tegen [persoon 3] en Financial Plaza afwijzen.
6.29.
[partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
6.29.1.
De proceskosten van [persoon 3] worden begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
1228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.993,00
6.29.2.
De proceskosten van Financial Plaza worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
1228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.023,00
6.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in voorwaardelijke reconventie
6.31.
Omdat de vorderingen van [partij] in conventie tegen [persoon 3] zijn afgewezen, is de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld, vervuld. [persoon 3] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat de door [partij] gelegde beslagen onrechtmatig zijn en worden opgeheven.
6.32.
De afwijzing in conventie betekent dat [partij] ten onrechte beslag heeft gelegd ten laste van [persoon 3] . Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. [37] [partij] hebben geen bijzondere omstandigheden gesteld. De rechtbank zal de door [persoon 3] gevorderde verklaring voor recht dat de door [partij] ten laste van [persoon 3] gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn, toewijzen.
6.33.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Het is aan de partij die opheffing van het beslag vordert om dit aannemelijk te maken. De omstandigheid dat de vordering wordt afgewezen, rechtvaardigt dit oordeel niet zonder meer. Er kan tegen het vonnis nog een rechtsmiddel worden ingesteld. De rechtbank moet de afweging maken of het belang van de beslaglegger bij instandhouding van het beslag zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij speelt mee dat een conservatoir beslag is bedoeld om ervoor te zorgen dat de beslaglegger zijn vordering kan innen als zijn vordering (in hoger beroep) wordt toegewezen. Daar staat tegenover dat als de vordering van de beslaglegger (in hoger beroep) wordt afgewezen, de beslaglegger aansprakelijk is voor de schade die het beslag heeft veroorzaakt.
6.34.
[persoon 3] heeft aangevoerd dat de beslagen voor hem belastend zijn. Door het beslag heeft hij minder inkomen en kan hij niet bij zijn spaargeld. Dit heeft tot gevolg dat hij niet voor zijn gezin kan zorgen zoals hij wenst. [partij] hebben hier geen belang tegenovergesteld, anders dan het algemene belang om het beslag gedurende de appeltermijn en het appel te laten liggen.
6.35.
De rechtbank is, mede gelet op het oordeel in de conventie, van oordeel dat het door [persoon 3] gestelde belang bij opheffing van de beslagen zwaarder weegt. De rechtbank zal de door [partij] ten laste van [persoon 3] gelegde conservatoire beslagen daarom opheffen.
6.36.
[partij] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 3] worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(2 punten × 0,5 × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
753,00
6.37.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
7.1.
draagt de griffier op om, met een afschrift naar partijen, [B.V. 2] schriftelijk te vragen om binnen 14 dagen na dagtekening van de brief van de griffier bij brief aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Cluster II Dagvaardingen (handel) (onder vermelding van het zaaknummer: C/02/421689 / HA ZA 24-204) een zienswijze te geven over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan,
7.2.
draagt de griffier op om de ontvangen zienswijze in kopie aan partijen toe te sturen, waarna de zaak zal worden verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van de curator, die daartoe een termijn van twee weken krijgt, waarna de zaak naar de rol wordt verwezen voor antwoordakte aan de zijde van [partij] , die daarvoor eveneens twee weken krijgen,
7.3.
draagt de griffier op om de zaak naar de rol te verwijzen voor vonnis, als
geenzienswijze wordt ontvangen,
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de vrijwaringszaak
in conventie
7.5.
wijst het gevorderde af,
7.6.
veroordeelt [partij] in de proceskosten van [persoon 3] van € 3.993,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
7.7.
veroordeelt [partij] in de proceskosten van Financial Plaza van € 8.023,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
7.8.
verklaart voor recht dat de door [partij] ten laste van [persoon 3] gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn,
7.9.
heft op de door [partij] ten laste van [persoon 3] gelegde conservatoire beslagen,
7.10.
veroordeelt [partij] in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
7.11.
veroordeelt [partij] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.12.
veroordeelt [partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.13.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.6, 7.7, 7.9, 7.10, 7.11 en 7.12 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Luijks en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
2.Productie 3 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
3.Productie 18 bij dagvaarding in de vrijwaring.
4.Productie 8 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
5.Productie 8 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
6.Productie 44 bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
7.Productie 18 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
8.Productie 19 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
9.Producties 9 en 10 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
10.Productie 11 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
11.Productie 23 bij dagvaarding in de vrijwaring.
12.Productie 13 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
13.Productie 16 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
14.Productie 2 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
15.Productie 14 bij dagvaarding in de vrijwaring.
16.Productie 14 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
17.Productie 21 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
18.Productie 28 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
19.Producties 29 en 30 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
20.Productie 31 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
21.Producties 32 en 33 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
22.Productie 4 bij dagvaarding in de hoofdzaak, productie 4 bij conclusie van antwoord [persoon 3] in de vrijwaring en producties 36 en 37 bij akte van de curator in de hoofdzaak.
23.Productie 42 bij akte van de curator in de hoofdzaak.
24.Producties 6 en 7 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
25.Productie 11 bij dagvaarding in de vrijwaring.
26.Productie 8 bij conclusie van antwoord van [persoon 3] in de vrijwaring.
27.Producties 50 en 51 bij dagvaarding in de vrijwaring.
28.Productie 27 bij dagvaarding in de hoofdzaak en productie 48 bij akte van de curator in de hoofdzaak.
29.Productie 14 bij dagvaarding in de hoofdzaak, p. 16.
30.Productie 13 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
31.Productie 40 bij akte van de curator in de hoofdzaak.
32.HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, r.o. 3.7 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370, r.o. 3.3.2.
33.Productie 17 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
34.Productie 14 bij dagvaarding in de hoofdzaak, p. 44.
35.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445, r.o. 3.3.
36.Vgl. HR 23 februari 2007, ECLI:NL:2007:AZ6219, r.o. 3.6.2 en HR 31 maart 1995, ECLI:NL:1995:ZC1688, NJ 1997, 592, r.o. 3.2-3.3.
37.HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608, NJ 1997, 366.