ECLI:NL:RBZWB:2025:971
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning verlaagd wegens ondergemiddelde onderhoudstoestand
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €208.000 en na bezwaar verlaagd tot €203.000. De rechtbank beoordeelde het beroep op 4 december 2024 en concludeerde dat de waarde te hoog was vastgesteld.
De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op een bureautaxatie met vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen werden gebruikt. Belanghebbende bracht een eigen taxatierapport in, gebaseerd op een inpandige opname waarin ondergemiddelde gebreken en onderhoudstoestand werden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met deze slechte onderhoudstoestand en dat de factor onderhoud ten onrechte als gemiddeld was beoordeeld.
De rechtbank volgde het standpunt van belanghebbende dat de waarde van de woning maximaal €190.000 bedraagt. Dit bedrag werd als marktwaarde op de waardepeildatum vastgesteld, mede omdat het taxatierapport van belanghebbende een reële prijs voor verkoop aan een familielid weerspiegelt. De aanslag onroerendezaakbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €190.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.