Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van repliek met producties 8 tot en met 13;
- de conclusie van dupliek met producties 11 tot en met 13;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten in 2011 een overeenkomst voor huur en lediging van containers, die stilzwijgend telkens met twee jaar werd verlengd. In 2012 stuurde eiseres een nieuwe overeenkomst met lagere prijs, niet ondertekend door gedaagde, maar met dezelfde voorwaarden.
Gedaagde klaagde vanaf 2018 over geluidsoverlast bij lediging, maar er werden geen nieuwe afspraken gemaakt over ledigingstijden. In 2024 wilde gedaagde de overeenkomst beëindigen, maar eiseres bevestigde dat deze doorliep tot 1 oktober 2024. Gedaagde betaalde slechts gedeeltelijk de factuur over juli-september 2024.
Gedaagde stelde dat de overeenkomst was ontbonden wegens tekortkoming van eiseres en dat de opzegtermijn onredelijk was. De kantonrechter oordeelde dat er geen tekortkoming was omdat lediging in de vroege ochtend was toegestaan en dat de opzegtermijn van drie maanden niet onaanvaardbaar was. Ook was er bewijs dat diensten tot de einddatum werden verleend.
De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van het openstaande bedrag, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, en wees het overige af. De proceskosten werden eveneens aan eiseres toegewezen.
Uitkomst: De vordering tot betaling van huur en lediging van containers wordt toegewezen en het verweer over ontbinding en opzegging wordt verworpen.