ECLI:NL:RBZWB:2025:9715

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
12006709 VV EXPL 25-97 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Eijssen-Vruwink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 lid 1 Wetboek van KoophandelArt. 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 7:307 Burgerlijk WetboekArt. 6:119 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming wegens huurachterstand en tekortkomingen in bedrijfsruimte

Chavin B.V. verhuurt bedrijfsruimte aan [gedaagde 1] VOF en vordert ontruiming wegens huurachterstand en tekortkomingen. De gedaagden, waaronder vennoten en een BV, betwisten deels de vordering en stellen dat de VOF niet meer bestaat en dat een koper de huurovereenkomst zou voortzetten, maar Chavin is hiermee niet akkoord gegaan.

De kantonrechter verleent verstek tegen een van de gedaagden en zuivert het verstek voor anderen die alsnog verschenen. Er is een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege huurachterstand, niet-naleving van preventiemaatregelen en brandrisico zonder verzekeringsdekking. De huurachterstand over meerdere maanden rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat de kans groot is dat de bodemrechter de ontbinding zal toewijzen en wijst daarom de ontruiming toe. Tevens worden de gevorderde huurachterstanden en contractuele boetes toegewezen. De gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huur en boetes, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand en boete toegewezen met hoofdelijk veroordeling van gedaagden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12006709 \ VV EXPL 25-97
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHAVIN B.V.,
gevestigd te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: Chavin,
gemachtigde: mr. R.S. Namjesky,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[gedaagde 1] V.O.F. T.H.O.D.N. [handelsnaam],
gevestigd te [plaats 1] ,
procederend in persoon, verschenen bij gedaagde sub 2,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 2] ,
procederend in persoon,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 3] ,
niet verschenen,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 4] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 1] ,
procederend in persoon, verschenen bij gedaagde sub 2,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: (in vrouwelijk enkelvoud) [gedaagden] en afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 1] BV.

1.De zaak in het kort

Chavin verhuurt aan [gedaagde 1] VOF bedrijfsruimte en vordert wegens tekortkomingen ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert Chavin betaling van huurachterstand en een boete. [gedaagde 2] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat Chavin niet akkoord is gegaan met een voorgedragen koper die de huurovereenkomst kan voortzetten. De kantonrechter is van oordeel dat de huurachterstand ontruiming rechtvaardigt en wijst de vorderingen van Chavin toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 10 december 2025 met producties;
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Hierna is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Met ingang van 4 februari 2025 verhuurt Chavin aan [gedaagde 1] VOF als indeplaatsgestelde van de heer [naam] de bedrijfsruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) voor een maandelijks vooruit te betalen huurprijs van € 6.700,07 inclusief btw.
3.2.
Op de gesloten huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing verklaard.
3.3.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn vennoten van [gedaagde 1] VOF.
3.4.
[gedaagde 1] VOF heeft een huurachterstand laten ontstaan.
3.5.
[gedaagde 2] heeft contact gehad met Chavin over verkoop van de onderneming aan een potentiële koper waarbij die koper de huurovereenkomst voor het gehuurde met Chavin zou willen voortzetten. Chavin is daar niet mee akkoord gegaan.

4.Het geschil

4.1.
Chavin vordert – samengevat – dat:
[gedaagden] wordt veroordeeld om binnen 5 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, dan wel een door de kantonrechter te bepalen termijn, de bedrijfsruimte aan [adres] leeg en ontruimd aan Chavin ter beschikking te stellen met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover die niet eigendom van Chavin zijn, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden;
[gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 4.000,00 vermeerderd met primair de boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand, subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf (primair) de vervaldatum van de betreffende huurtermijn, (subsidiair) vanaf de datum van dagvaarden tot de dag van volledige betaling;
[gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 6.700,07 per maand met ingang van november 2025 tot en met de maand c.q. het moment van ontbinding van de huurovereenkomst, vermeerderd met primair een boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand, subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf (primair) de vervaldatum van de betreffende huurtermijn, (subsidiair) vanaf de datum van dagvaarden tot de dag van volledige betaling,
[gedaagden] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Chavin legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
[gedaagde 1] VOF schiet tekort in meerdere verplichtingen uit de huurovereenkomst. Zo is over de maand oktober 2025 een bedrag van € 4.000,00 aan huur onbetaald gelaten en is met ingang van november 2025 de huur ook niet betaald. Daarnaast heeft [gedaagde 1] VOF nagelaten om preventiemaatregelen te nemen na de door de verzekeraar gedane risico-inventarisatie van het gehuurde na een eerdere brand. Ook is de tuin niet opgeruimd en heeft [gedaagde 1] VOF de exploitatie van het gehuurde gestaakt. De tekortkomingen afzonderlijk en samen rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend daarop ontruiming van het gehuurde. [gedaagde 1] BV is volgens het handelsregister ingeschreven op het huuradres en verblijft zonder recht of titel in het gehuurde. Chavin heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat er vrees is dat de huurachterstand verder zal oplopen en wegens het niet nemen van preventiemaatregelen is er sprake van een brandrisico en geen verzekeringsdekking.
4.3.
[gedaagde 2] is na sluiting van de mondelinge behandeling alsnog verschenen. Hij voert als verweer het volgende aan.
[gedaagde 1] VOF bestaat vanaf april 2025 niet meer. De onderneming is verder gegaan als [gedaagde 1] BV en Chavin is niet akkoord gegaan met het verzoek om het huurcontract op naam van [gedaagde 1] BV te zetten. De huur is zo veel mogelijk betaald. Er was een nieuwe koper voor de onderneming en Chavin heeft er ten onrechte niet mee ingestemd om aan die koper te verhuren.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Verstekverlening en zuivering
5.1.
[gedaagden] is na het uitroepen van de zaak op 17 december 2025 niet bij de mondelinge behandeling verschenen. Ter zitting heeft de kantonrechter vastgesteld dat bij het uitbrengen van de dagvaardingen alle in de wet voorschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. Hierdoor heeft de kantonrechter (mondeling) verstek verleend tegen [gedaagden]
5.2.
Kort na sluiting van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] zich gemeld bij de rechtbank waarna de kantonrechter de mondelinge behandeling heeft heropend. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde 2] ook als vennoot van [gedaagde 1] VOF en als bestuurder van [gedaagde 1] BV is verschenen. [gedaagde 2] voert aan dat [gedaagde 1] VOF niet meer bestaat, maar Chavin betwist dit en stelt onweersproken dat de VOF nog steeds is ingeschreven in de kamer van koophandel. Gelet daarop en omdat een vennootschap onder firma juridisch blijft bestaan totdat deze vereffend is [1] , gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde 1] VOF nog bestaat.
5.3.
Hoewel artikel 11.3 van het procesreglement voorschrijft dat zuivering van het verstek met een schriftelijke mededeling dient plaats te vinden, heeft Chavin aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de wijze van zuivering van het verstek. De kantonrechter stelt daarom vast dat [gedaagde 2] met het alsnog verschijnen in de procedure het verleende verstek tegen hemzelf, [gedaagde 1] VOF en [gedaagde 1] BV heeft gezuiverd. Omdat [gedaagde 2] niet namens [gedaagde 3] is verschenen, blijft het verstek tegen [gedaagde 3] gehandhaafd. Op grond van de wet wordt wel één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. [2]
Toetsingskader
5.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of Chavin ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Ontruiming
5.5.
Voldoende gebleken is dat Chavin een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot ontruiming van het gehuurde. Chavin heeft toegelicht dat het gehuurde aan voorschriften moet voldoen, daar niet aan wordt voldaan en er daardoor geen verzekeringsdekking is in geval van bijvoorbeeld brand en dat een onaanvaardbaar risico is. Daarnaast heeft Chavin toegelicht gegronde vrees te hebben dat ook de komende maanden geen huur wordt betaald en [gedaagde 1] VOF geen verhaal zal bieden.
5.6.
Niet betwist is dat er over de periode tot en met december 2025 een huurachterstand is van 2,5 maanden. Deze huurachterstand is een zodanige tekortkoming dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Daarbij weegt verder mee dat het gezien de uitspraken van [gedaagde 2] over beëindiging van de onderneming voldoende aannemelijk is dat ook de komende maanden geen huur zal worden betaald.
5.7.
[gedaagde 1] VOF heeft verder geen omstandigheden gesteld die er toe leiden dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd zou zijn. [gedaagde 2] voert aan dat hij een koper had aangedragen bij Chavin om te komen tot indeplaatsstelling. Maar het staat Chavin als verhuurder (in beginsel) vrij om niet akkoord te gaan met een voorgedragen huurder en dat doet niet af aan de betalingsachterstand. [gedaagde 1] VOF heeft verder ook niet onderbouwd dat met de gestelde potentiële koper al volledige overeenstemming is bereikt, dat die voldoende waarborgen biedt voor volledige nakoming van de huurovereenkomst en een in rechte te vorderen machtiging tot indeplaatsstelling [3] kans van slagen zou hebben.
5.8.
Het voorgaande in aanmerking nemende, acht de kantonrechter de kans aanzienlijk dat bij deze stand van zaken de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een (eventuele) bodemprocedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is daar thans op vooruit te lopen. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen tegenover [gedaagde 1] VOF omdat zij contractspartij is van Chavin en tegenover [gedaagde 2] en [gedaagde 3] omdat zij als vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor verplichtingen van [gedaagde 1] VOF. Daarnaast zal de ontruiming tegenover [gedaagde 1] BV worden toegewezen omdat zij zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Er is namelijk geen sprake van overname van de huurovereenkomst door [gedaagde 1] BV.
Huurachterstand en boete
5.9.
De gevorderde huur en boete zijn geldsommen en ten aanzien daarvan geldt dat ook een spoedeisend belang vereist is. Chavin heeft niet onderbouwd waarom voor deze vorderingen sprake is van een spoedeisend belang, maar zoals Chavin stelt, is de proceseconomie ermee gebaat dat hierop gelijktijdig wordt beslist. De door Chavin gevorderde huur over oktober 2025 van € 4.000,00 en de gevorderde huur vanaf november 2025 van € 6.700,07 per maand – die niet is betwist – zal tot het moment van ontruiming worden toegewezen.
5.10.
Daarnaast zal de gevorderde contractuele boete op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen van 1% per kalendermaand met een minimum van € 300,00 per maand dat te laat is betaald worden toegewezen. Hierdoor is er per maand over het totale openstaande bedrag aan huur in de betreffende maand 1% boeterente verschuldigd waarbij er per maand een bedrag van € 300,00 verschuldigd is aan boeterente als de berekening van de boete lager uitvalt dan € 300,00. Voor de maand oktober 2025 betekent dit dat [gedaagden] een bedrag van € 300,00 aan boete verschuldigd is.
5.11.
De gevorderde huur en boete worden ten aanzien van [gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk toegewezen.
Proceskosten
5.12.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Chavin worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
255,46
(2 x € 127,73)
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.747,46
5.13.
De gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verleent verstek tegen [gedaagde 3] en verstaat dat [gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 1] BV het verstek hebben gezuiverd,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] leeg en ontruimd aan Chavin ter beschikking te stellen en met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover die niet eigendom van Chavin zijn, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van € 4.300,00 aan huur en boete over de maand oktober 2025,
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] VOF, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van € 6.700,07 per maand met ingang van november 2025 tot het moment van ontruiming van het gehuurde, vermeerderd met een boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand vanaf de vervaldatum van de betreffende huurtermijn tot de dag van volledige betaling,
6.5.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.747,46 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 32 lid 1 Wetboek Pro van Koophandel
2.Artikel 140 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
3.als bedoeld in artikel 7:307 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)