ECLI:NL:RBZWB:2025:9754

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
RK 25-020453
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot medeplegen diefstal fiets

Verzoekster heeft op grond van artikel 530 Sv Pro een verzoek ingediend tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten verbonden aan de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer, na een beleidssepot voor het delict medeplegen van diefstal van een fiets.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 4 november 2025, waarbij de officier van justitie en de advocaat van verzoekster zijn gehoord. Verzoekster was niet aanwezig, maar haar advocaat voerde aan dat de schuldvraag niet ter discussie staat en verwees naar een arrest over de onschuldpresumptie. Het Openbaar Ministerie handhaafde het standpunt dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding, omdat verzoekster de kosten aan zichzelf te wijten zou hebben.

De rechtbank oordeelt dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoekster de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet daarom wel gronden van billijkheid voor toekenning van de vergoeding. De gevorderde bedragen van €1.864,26 voor rechtsbijstand en €680,00 voor de behandeling van het verzoekschrift worden integraal toegewezen.

De beslissing is genomen door rechter M.H.M. Collombon en uitgesproken op 2 december 2025. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na beleidssepot medeplegen diefstal fiets wordt integraal toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-207394-25
raadkamernummer : 25-020453
datum : 2 december 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [datum] 2001 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.C.J. Heinen advocaat te Roosendaal, (Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal),
hierna te noemen: verzoekster.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 22 augustus 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.864,26, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 8 juli 2025;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. M.C.J. Heinen als gemachtigd advocaat van verzoekster, gehoord.
Verzoekster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoekster is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoekster heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift ten aanzien van het beleidssepot voor het delict medeplegen van diefstal van een fiets aangevoerd dat de schuldvraag in deze procedure niet ter discussie staat. De advocaat heeft daarbij o.a. verwezen naar een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam betreffende de onschuldpresumptie (ECLI:NL:GHAMS:2024:2366) waarin dit wordt bevestigd. Volgens de advocaat maakt de sepotcode dat niet anders. Verzoekster is niet onherroepelijk veroordeeld. Dit dient dan ook primair te leiden tot integrale toewijzing van de verzochte vergoeding. Subsidiair wordt verzocht om toewijzing van de kosten die zien op de sepotbeslissing met code 02 voor het delict medeplegen van diefstal van een aanhanger.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich ten aanzien van het beleidssepot op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding. Verzoekster heeft het aan zichzelf te wijten dat zij de kosten voor de aan haar verleende rechtsbijstand heeft moeten maken. Bij vervolging zou de kans aanzienlijk zijn geweest dat verzoekster zou zijn veroordeeld. Mocht de rechtbank aanleiding zien om aan verzoekster een vergoeding toe te kennen voor het deel dat ziet op de sepotbeslissing met code 02, dan verzet zij zich daar niet tegen.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 10 juli 2025 ten aanzien van de verdenking van medeplegen van diefstal van een aanhanger overgegaan tot een sepot vanwege onvoldoende bewijs. Ten aanzien van de verdenking van diefstal van een fiets is het Openbaar Ministerie overgegaan tot een beleidssepot vanwege een recente bestraffing van verzoekster. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoekster de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoekster de verdenking van medeplegen van diefstal van een fiets aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet dan ook gronden van billijkheid om de verzochte vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand integraal toe te kennen. Het bedrag ter hoogte van
€ 1.864,26is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 2.544,26, bestaande uit:
- € 1.864,26 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 aan kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 2.544,26zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten B.V., onder vermelding van “ [verzoekster] /[kenmerk]”.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van
2 december 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.