Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025;
- het bericht van mr. Möller, ontvangen op 18 september 2025;
- de brief van [minderjarige] , ontvangen op 19 september 2025;
- het bericht van de GI, met bijlagen, ontvangen op 26 september 2025;
- de brief van de GI, ontvangen op 20 oktober 2025.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
punt 1in de schriftelijke aanwijzing geeft de moeder aan dat zij achter de aanmelding van [minderjarige] bij de zorgboerderij staat. Het traject moet nog starten, maar zij heeft er vertrouwen in dat de zorgboerderij aansluit bij de belangen en behoeften van [minderjarige] . Zij begrijpt niet waarom hier een schriftelijke aanwijzing voor is gegeven. Over
punt 2in de schriftelijke aanwijzing geeft de moeder aan dat zij altijd in contact gebleven met [school] . De moeder heeft op 10 september 2025 per mail contact opgenomen met school om een fysieke afspraak in te plannen indien [school] dit wenselijk acht. Inmiddels heeft dit gesprek ook plaatsgevonden, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt. Ondanks dat partijen verschillen van mening over wat in het belang is van [minderjarige] , blijft zij het gesprek met school, Amarant, de Zorgboerderij, de psycholoog en de huisarts aangaan. De moeder spant zich dus wel degelijk in om het ertoe te leiden dat [minderjarige] toe kan gaan werken aan opbouw van onderwijs. De moeder begrijpt dat onderwijs (op een basisschool) belangrijk is, maar in haar optiek dient dit op een wijze te worden opgebouwd en vormgegeven die niet schadelijk is voor [minderjarige] . Hierbij dient het tempo van [minderjarige] leidend te zijn.
Punt 3van de schriftelijke aanwijzing dient naar mening van de moeder daarom vervallen te worden verklaard. De moeder stelt daarnaast dat zij volkomen terecht niet instemt met [school] als basisschool voor [minderjarige] . De moeder wenst eerst het traject bij de Zorgboerderij af te wachten alvorens een concreet plan wordt uitgestippeld voor het onderwijs bij [school] . Zij is niet bereid om nu naar [minderjarige] uit te stralen dat [school] zijn school is (
punt 4), want zij is ervan overtuigd dat deze school niet bij [minderjarige] aansluit.
Punt 5van de schriftelijke aanwijzing is te breed geformuleerd. Zij is van mening dat het niet zo kan zijn dat zij alle hulpverleningstrajecten klakkeloos moet accepteren zonder hier kritisch op te mogen zijn. Deze aanwijzing is niet toegespitst op een specifiek hulpverleningstraject, waardoor van haar niet verwacht kan worden dat zij op voorhand altijd en overal instemt zonder te weten waarmee zij precies akkoord gaat. Concluderend acht de moeder de schriftelijke aanwijzing onterecht genomen en grotendeels onnodig. Zij verzoekt om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
punt 1van de schriftelijke aanwijzing te laten staan. Ten aanzien van
punt 2van de schriftelijke aanwijzing geeft de GI aan dat de moeder een gesprek heeft gevoerd met school. Aan dit punt is voldaan, maar de GI verzoekt om
punt 2 en punt 3niet vervallen te verklaren, aangezien het belangrijk is dat ook in de toekomst gesprekken plaats blijven vinden. In het verleden was het vaak moeilijk om het gesprek met de moeder aan te gaan. Om te waarborgen dat het proces voor [minderjarige] niet stagneert, is daarom
punt 3van de schriftelijke aanwijzing opgesteld. Het is daarbij belangrijk dat het volledige psychologische rapport als leidraad wordt gebruikt, en niet alleen de punten die de moeder eruit haalt. Bij
punt 4van de schriftelijke aanwijzing geeft de GI aan dat [minderjarige] van de herfstvakantie 2024 tot nu niet meer naar school is geweest. De moeder heeft op 13 augustus 2025 een mail gestuurd naar [school] , waarin zij aangeeft dat [minderjarige] in de toekomst niet meer terug gaat komen. Dit getuigt niet van het motiveren van [minderjarige] om terug te werken naar school en uit te stralen dat [school] zijn school blijft. De moeder doet daarbij juist het tegenovergestelde. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is heel sterk, en [minderjarige] is gevoelig voor wat de moeder uitstraalt naar hem en anderen. Deze houding maakt de stap terug naar school alleen maar complexer voor [minderjarige] . De moeder stelt zich op dit moment wel open voor het hulpverleningsaanbod. Zij werkt mee met IAG van Amarant en staat open voor de zorgboerderij. De GI is daar blij mee en vindt dit in het belang van [minderjarige] . Het is echter noodzakelijk dat zij dit voort blijft zetten en mee zal werken met alle toekomstige hulpverlening. Gelet daarop heeft de GI
punt 5in de schriftelijke aanwijzing opgenomen. De GI acht het noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing gehandhaafd blijft, zodat duidelijk voor de moeder is wat er van haar verwacht wordt en waar zij zich aan moet houden.
5.De beoordeling
Neem deel en laat [minderjarige] deelnemen aan ieder hulpverleningsaanbod wat de GI noodzakelijk acht om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] tegen te gaan.