De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2008, die sinds januari 2025 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling. Na een eerdere uithuisplaatsing is de minderjarige medio augustus 2025 teruggeplaatst bij haar moeder, maar de situatie binnen het gezin is sindsdien wisselvallig gebleven.
De GI rapporteert dat de relatie tussen de minderjarige en haar moeder complex is, met conflicten veroorzaakt door het gedrag van het jongere broertje en emotionele spanningen tussen moeder en kind. Er zijn suïcidale uitingen en communicatieproblemen, en de minderjarige ervaart onvoldoende steun van haar moeder. De hulpverlening, waaronder een ervaringsdeskundige, biedt ondersteuning, maar de situatie vereist voortdurende monitoring en sturing.
De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van de wettelijke criteria is vastgesteld dat de minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder onvoldoende in staat is de problemen zelfstandig op te lossen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot de meerderjarigheid van de minderjarige op 18 april 2026.
De kinderrechter legt nadruk op het belang van voortzetting van de hulpverlening, mogelijke inzet van een MST-traject, en het verbeteren van de zelfredzaamheid van de moeder, onder meer door het leren van de Nederlandse taal. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en mondeling uitgesproken op 31 december 2025.