Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Conclusie en gevolgen
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, geboren in 1955 en sinds juni 2022 pensioengerechtigd, had over 2022 een voorlopige teruggaaf ontvangen van €1.204, gebaseerd op een inkomen van haar fiscale partner. Na herziening stelde de inspecteur een aanslag vast met een belastbaar inkomen van €6.265 voor belanghebbende en €21.931 voor haar echtgenoot. De aanslag resulteerde in een te betalen bedrag van €797 na verrekening van heffingskortingen.
Belanghebbende stelde dat zij geen aanslag verschuldigd was omdat zij uitsluitend AOW geniet en verwees naar de tekst in de online aangifte die suggereert dat bij uitsluitend AOW geen belasting hoeft te worden betaald. De rechtbank oordeelde echter dat de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 9.4 van de Wet IB 2001, bepalen dat bij een te hoge voorlopige teruggaaf alsnog een aanslag kan worden opgelegd.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde dat de aanslag terecht is vastgesteld. Tevens oordeelde de rechtbank dat het griffierecht niet wordt teruggegeven en dat er geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting ondanks uitsluitend AOW en een te hoge voorlopige teruggaaf.