ECLI:NL:RBZWB:2026:102

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/02/424346 / FA RK 24-3126
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag over een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de wijziging van het gezag over een minderjarige, geboren in 2012. De man, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. M. Kalle, heeft verzocht om het gezamenlijk gezag met de vrouw te wijzigen naar eenhoofdig gezag, omdat er volgens hem een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek en stelt dat de man niet in staat is om in het belang van de minderjarige te handelen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op een zitting op 19 december 2025, waarbij de minderjarige ook is gehoord. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het verzoek van de man toe te wijzen, omdat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is en de vrouw niet in staat lijkt om de belangen van de minderjarige voorop te stellen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie bij het uiteengaan van de ouders zijn gewijzigd en dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de minderjarige is. De rechtbank heeft daarom besloten dat het gezag voortaan alleen aan de man toekomt, met de verklaring dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is, zodat de ontwikkeling van de minderjarige niet verder in het gedrang komt.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/424346 / FA RK 24-3126
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Nadere beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
betreffende de minderjarige
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-west-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het nadere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het op 30 juni 2025 ontvangen raadsrapport van 25 juni 2025.
1.2
Het verzoek is nader met gesloten deuren mondeling behandeld op de zitting van 19 december 2025. Bij die zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
Voorafgaand aan voornoemde zitting is de [minderjarige] gehoord. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 18 februari 2025. Bij deze beschikking is bepaald dat de [minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf heeft bij de man. Ook is aan de man – ter vervanging van de toestemming van de vrouw – vervangende toestemming verleend om [minderjarige] aan te melden voor therapie en therapie te laten ondergaan bij [praktijk] te [woonplaats] , of een soortgelijke hulpverlenende instantie. Daarnaast heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de in die beschikking onder rechtsoverweging 5.8 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Het verzoek van de man om het gezamenlijk gezag te wijzigen en de man alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten is in afwachting van het rapport en advies van de Raad aangehouden tot 6 mei 2025 pro forma.
2.2
Op 30 juni 2025 is het rapport met bijbehorend advies van de Raad ontvangen. De Raad adviseert, kort samengevat, het verzoek van de man om hem alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, toe te wijzen. Er is volgens de Raad sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt als het gezamenlijk gezag van de ouders in stand blijft, en het is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven, waaronder de afwijzing door de moeder, het contactverlies met de moeder en de onvoorspelbaarheid in het contact met de moeder. Daarnaast heeft [minderjarige] veel last van het gebrek aan communicatie en samenwerking tussen de ouders. Het is de ouders niet gelukt om daar hulpverlening voor op te starten. Ook de omstandigheid dat de moeder al lange tijd niet in het belang van [minderjarige] handelt, is voor de Raad aanleiding geweest voor het advies om de vader voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. De moeder lijkt zich onvoldoende in te kunnen leven in wat [minderjarige] nodig heeft, ziet haar ouderlijke verantwoordelijkheid onvoldoende in en weigert toestemming te geven voor de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] . De moeder heeft hierover bij de Raad aangegeven dat zij is belast met psychische problematiek en dat zij daardoor niet in staat is om belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen, al helemaal niet als daarvoor afstemming met de vader is vereist. Nu deze situatie al langere tijd voortduurt en [minderjarige] hier erg veel last van heeft, is het niet in haar belang om deze situatie nog langer voort te zetten, aldus de Raad. De Raad heeft ondanks de zorgen overwogen om geen verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] bij de rechtbank in te dienen, omdat dit geen passende oplossing is en een ondertoezichtstelling de moeder zal overvragen, wat enkel meer teleurstelling voor [minderjarige] tot gevolg zal hebben.
2.3
Ter beoordeling ligt thans nog voor, het verzoek van de man om, uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag te wijzigen en de man alleen met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] te belasten.
2.4
Door en namens de man is tijdens de zitting aangevoerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij voortaan met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast. Er zijn de afgelopen jaren meermaals situaties geweest waarbij [minderjarige] klem of verloren is geraakt tussen de ouders. De vrouw is vaak onbereikbaar voor de man, weigert met de man te communiceren over [minderjarige] en is niet bereid om haar toestemming te verlenen voor het nemen van noodzakelijke gezagsbeslissingen, zoals de inzet van hulpverlening of de aanschaf van een gehoorapparaat voor [minderjarige] . Daardoor is het niet mogelijk om deze beslissingen te nemen of duurt het erg lang voordat deze kunnen worden genomen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] en bedreigt haar ontwikkeling. Het gedrag van de vrouw toont volgens de man bovendien aan dat zij niet in staat is om in het belang van [minderjarige] te handelen en belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen. De vrouw is belast met psychische problematiek en stelt telkens dat alle problemen worden veroorzaakt door de man. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er rust komt en dat de noodzakelijke beslissingen zonder obstakels kunnen worden genomen. Daar is de verzochte gezagswijziging voor nodig. De man zal altijd open blijven staan voor contact tussen de vrouw en [minderjarige] . Hij gunt [minderjarige] dit contact en wil hier aan (blijven) meewerken. De man vreest er wel voor dat de vrouw het contact dat recent weer is opgestart, weer zal stopzetten, hetgeen [minderjarige] opnieuw veel verdriet zal doen. Gelukkig is hiervoor inmiddels hulpverlening opgestart vanuit Vivet. De man benadrukt tot slot dat als het de komende jaren beter gaat met de vrouw en zij in contact kan treden met de man, informatie wenst te verkrijgen over [minderjarige] en bereid en in staat is om mee te denken over [minderjarige] en beslissingen over haar te nemen, het gezamenlijk gezag kan worden hersteld.
2.5
De vrouw heeft tijdens de zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om hem voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. De man lijkt goed in staat om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden, maar dat is volgens de vrouw maar schijn. Zo is [minderjarige] volgens de vrouw al lange tijd niet meer bij de tandarts en de oogarts geweest. Ook wordt [minderjarige] negatief door de man beïnvloed, waardoor zij nu de man napraat. De vrouw heeft geen contact met de man over [minderjarige] . Dat is volgens de vrouw niet mogelijk, omdat de man daar niet toe in staat zou zijn en de communicatie met de man destructief is voor haar psychische gesteldheid. Zij wil daarom graag dat er een specialist wordt aangesteld die tussen de ouders in gaat staan. Het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] kan dan in stand blijven. Desgevraagd benoemt de vrouw dat zij [minderjarige] in de zomer van 2024 niet zomaar uit huis en op straat heeft gezet, maar dat deze situatie is ontstaan door het handelen van de man en dat het aan de man was om deze situatie te voorkomen dan wel op te lossen. De vrouw heeft, anders dan de man, nooit een beslissing genomen die niet goed of niet veilig was voor [minderjarige] . Daarbij benoemt de vrouw dat zij [minderjarige] een telefoon heeft gegeven om er achter te komen of [minderjarige] haar goed genoeg vindt. Zij heeft [minderjarige] vervolgens geblokkeerd, omdat de berichtjes van [minderjarige] haar pijn deden. Desgevraagd benoemt de vrouw dat zij nog steeds hulpverlening heeft voor en werkt aan haar psyschische problematiek. Tot slot benoemt de vrouw dat zij ook zonder gezag contact wil blijven houden met [minderjarige] .
2.6
De Raad heeft tijdens de zitting het advies gehandhaafd. De zorgen zijn duidelijk in het rapport beschreven. Het is positief dat de hulpverlening voor [minderjarige] inmiddels is gestart en goed verloopt.
2.7
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het goed en fijn vindt als haar vader voortaan de beslissingen over haar kan nemen, zodat de beslissingen voortaan zonder gedoe en onzekerheid kunnen worden genomen. Nu is het telkens afwachten of haar moeder reageert en/of haar toestemming geeft en dat is niet fijn. [minderjarige] vindt het verder erg fijn bij haar vader thuis. Zij heeft sinds enkele weken weer wat contact met haar moeder. Daar is zij erg blij mee. [minderjarige] is tot slot positief over de recent opgestarte hulpverlening.
2.8
De rechtbank overweegt als volgt.
2.8.1
De rechtbank kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.8.2
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat daarvan sprake is nu het partijen al enige tijd niet meer lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken. Ook is het hoofdverblijf van [minderjarige] inmiddels bij de man bepaald en is er een tijdlang in het geheel geen contact geweest tussen de vrouw en [minderjarige] . Sinds enkele weken heeft er weer wat contact tussen de vrouw en [minderjarige] plaatsgevonden. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen dermate zijn gewijzigd dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
2.8.3
De rechtbank overweegt vervolgens dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt.
2.8.4
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag over de [minderjarige] . Partijen zijn namelijk al geruime tijd niet tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijke gezag over [minderjarige] in staat waardoor er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daartoe overweegt de rechtbank dat partijen er al langere tijd niet in slagen om met elkaar te communiceren en samen te werken. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij onder meer vanwege haar psychische gesteldheid niet in staat is om met de man in contact te treden. Door en namens de man is tijdens de zitting toegelicht dat de vrouw vaak onbereikbaar is voor de man, zij het contact met de man weigert en zij niet bereid is om toestemming te verlenen voor de noodzakelijke gezagsbeslissingen over [minderjarige] . Daardoor is de man al tegen meerdere praktische problemen aangelopen in de gezagsuitoefening over [minderjarige] , zoals bij de inzet van hulpverlening en bij de aanschaf van een gehoorapparaat voor [minderjarige] . De hulpverlening voor [minderjarige] is recent met de vervangende toestemming van de rechtbank opgestart. Deze situatie tussen partijen duurt inmiddels al enige tijd voort en het is hen niet gelukt om deze te verbeteren of hiervoor hulpverlening in te zetten. Tegelijkertijd is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] erg veel last heeft van deze situatie. Zij wordt belemmerd in haar ontwikkeling doordat de belangrijke beslissingen over haar niet of niet tijdig kunnen worden genomen. Daardoor ervaart [minderjarige] telkens veel spanningen en verkeert zij geregeld in onzekerheid. Met de Raad acht de rechtbank dit alles niet in het belang van [minderjarige] , die al veel heeft meegemaakt in haar jonge leven. Daarom kan deze situatie niet langer voortduren.
2.8.5
De rechtbank neemt ook in overweging dat het de vrouw de afgelopen tijd, mogelijk vanwege haar psychische problematiek, onvoldoende is gelukt om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. Zo is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de vrouw [minderjarige] , een kwetsbare minderjarige, in de zomer van 2024 uit huis en op straat heeft gezet. Ook heeft de vrouw het contact met [minderjarige] (meermaals) verbroken, tot groot verdriet van [minderjarige] . Daarnaast heeft de vrouw [minderjarige] een telefoon gegeven, en haar vervolgens geblokkeerd. Het handelen van de vrouw heeft zodanig veel impact op [minderjarige] dat zij daar inmiddels hulpverlening voor behoeft en ontvangt. Tijdens de zitting is het de rechtbank niet gebleken dat de vrouw inmiddels op enigerlei wijze tot een ander inzicht is gekomen. Zij blijft benadrukken dat bovengenoemde gebeurtenissen niet aan haar te wijten zijn en is van mening dat zij geen beslissingen heeft genomen die niet veilig of goed voor [minderjarige] zijn. De rechtbank heeft er met de man en de Raad dan ook onvoldoende vertrouwen in dat de reeds enige tijd bestaande situatie op korte termijn zal verbeteren. Een ondertoezichtstelling, waar de vrouw kennelijk op doelt, wordt door de Raad niet passend geacht in deze situatie en een verzoek daartoe is niet bij de rechtbank ingediend. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de man voortaan met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast.
2.8.6
De rechtbank benadrukt daarbij dat deze beslissing niet betekent dat de vrouw vanaf nu geen betekenisvolle rol meer speelt in het leven van [minderjarige] . De vrouw blijft altijd de moeder van [minderjarige] en is daarom erg belangrijk in haar leven. De rechtbank gunt de vrouw, en [minderjarige] in het bijzonder, een goed contact met elkaar, waarbij de belangen van [minderjarige] voortaan voorop worden gesteld. De man heeft aangegeven dat hij het contact tussen [minderjarige] en de vrouw zal blijven stimuleren en faciliteren. De vrouw heeft aangegeven dat zij ook zonder gezag het contact met [minderjarige] wil blijven voortzetten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat beide partijen zich blijven inspannen voor het contact tussen de vrouw en [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.7
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, voortaan alleen aan de man toekomt;
3.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.