In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de wijziging van het gezag over een minderjarige, geboren in 2012. De man, vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. M. Kalle, heeft verzocht om het gezamenlijk gezag met de vrouw te wijzigen naar eenhoofdig gezag, omdat er volgens hem een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek en stelt dat de man niet in staat is om in het belang van de minderjarige te handelen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op een zitting op 19 december 2025, waarbij de minderjarige ook is gehoord. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het verzoek van de man toe te wijzen, omdat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is en de vrouw niet in staat lijkt om de belangen van de minderjarige voorop te stellen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie bij het uiteengaan van de ouders zijn gewijzigd en dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de minderjarige is. De rechtbank heeft daarom besloten dat het gezag voortaan alleen aan de man toekomt, met de verklaring dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is, zodat de ontwikkeling van de minderjarige niet verder in het gedrang komt.