ECLI:NL:RBZWB:2026:1028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
02-241087-25 en 02-288154-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal, geweld tegen politie en oplegging ISD-maatregel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor diefstal van parfum en diverse goederen, het gebruik van geweld bij aanhouding, wederspannigheid en belediging van politieambtenaren. De feiten vonden plaats op 13 september en 28 oktober 2025 in Tilburg. Verdachte verzette zich met geweld tegen politie en bespuugde twee ambtenaren, wat leidde tot immateriële schade.

De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van bekentenissen en verklaringen van verdachte. Verdachte heeft een uitgebreid strafblad en kampt met problematiek zoals middelengebruik en gebrek aan huisvesting. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel als enige effectieve maatregel om recidive te voorkomen.

De rechtbank volgde dit advies en legde een ISD-maatregel van twee jaar op, zonder aftrek van voorarrest. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de benadeelde politieambtenaren, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees minder ingrijpende maatregelen af vanwege het hoge recidiverisico en het ontbreken van probleembesef bij verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee jaar onvoorwaardelijke ISD-maatregel en betaling van schadevergoedingen aan politieambtenaren.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-241087-25 en 02-288154-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2026
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn op de zitting van 5 februari 2026 gevoegd conform artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering en inhoudelijk behandeld. De officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-241087-25
feit 1: op 13 september 2025 twee parfums bij [winkel] in Tilburg heeft gestolen;
feit 2: zich op diezelfde datum met geweld of dreiging met geweld heeft verzet bij zijn aanhouding door de politie;
parketnummer 02-288154-25
feit 1: op 28 oktober 2025 diverse goederen bij [supermarkt] in Tilburg heeft gestolen en een medewerker van die supermarkt heeft geslagen;
feit 2: zich op diezelfde datum met geweld of dreiging met geweld heeft verzet bij zijn aanhouding door de politie;
feit 3: op diezelfde datum twee politieambtenaren heeft beledigd door op hen te spugen.

3.De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen bewijsverweer.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-241087-25
Feit 1
Verdachte heeft over dit feit een bekennende verklaring afgelegd. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich op 13 september 2025 tijdens zijn aanhouding met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen twee politieambtenaren, op de wijze zoals opgenomen in de tenlastelegging. De rechtbank acht dit feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
parketnummer 02-288154-25
Feit 1, feit 2 en feit 3
Ter zitting heeft verdachte over feit 1 verklaard dat hij denkt op 28 oktober 2025 in de betreffende vestiging van [supermarkt] aan [straat] in Tilburg te zijn geweest. Ook heeft hij verklaard dat de gestolen spullen niet voor hemzelf, maar voor kennissen en hun kinderen waren en dat hij buiten de supermarkt iemand geslagen heeft. Over feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij zich verzet heeft tegen de politie. Over feit 3 heeft verdachte verklaard dat het wel kan kloppen dat hij politieambtenaren heeft bespuugd.
Gelet op deze verklaringen in samenhang bezien met de bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-241087-25
1
op 13 september 2025 te Tilburg twee parfums met een totale waarde van 186,34 euro die aan [winkel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 13 september 2025 te Tilburg zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet
tegen ambtenaren van politie Zeeland-West-Brabant, [aangever 1] en [aangever 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door om zich heen te trappen en te spugen en die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen 'I kill you';
parketnummer 02-288154-25
1
op 28 oktober 2025 te Tilburg drumsticks en gehakt en kipbraadsticks en wijn en een airco en een tas en koffer, die aan [supermarkt] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [aangever 3] (werkzaam als leidinggevende bij [supermarkt] ), gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever 3] tegen het linkeroor en de slaap te slaan;
2
op 28 oktober 2025 te Tilburg zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen ambtenaren werkzaam voor politie Zeeland-West-Brabant, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten om verdachte aan te houden teneinde hem ter voorgeleiding aan een hulpofficier van justitie ten spoedigste over te brengen naar het politiebureau te Tilburg, door
* opzettelijk gewelddadig in een andere richting te trekken of duwen dan die waarheen die ambtenaren hem, verdachte, trachtten te brengen en
* te proberen een kopstoot te geven en
* te trappen en
* te dreigen met spugen;
3
op 28 oktober 2025 te Tilburg opzettelijk twee ambtenaren werkzaam voor politie Zeeland-West-Brabant, te weten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, heeft beledigd,
door hen tegen de keel en/of op de arm te spugen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.
Omdat het niet mogelijk is voor de ten laste gelegde belediging (feit 3 van de zaak met parketnummer 02-288154-25) een ISD-maatregel op te leggen, vordert de officier van justitie daarvoor de oplegging van een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat er nog andere minder ingrijpende afdoeningsmogelijkheden bestaan die passend zijn, zoals de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf of voorwaardelijke ISD-maatregel met bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid om zich aan dergelijke voorwaarden te houden en heeft nog niet eerder de kans gehad om dit te laten zien. De oplegging van een ISD-maatregel dient een ultimum remedium te zijn en dat is hier niet het geval. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar is naar de mening van de verdediging dus niet noodzakelijk en bovendien niet proportioneel gelet op de aard en ernst van de ten laste gelegde feiten.
Mocht de rechtbank toch overgaan tot de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, dan verzoekt de verdediging de duur van het voorarrest van verdachte hiervan af te trekken en te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse beoordeling van die maatregel plaatsvindt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op twee verschillende momenten in een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met geweld tegen een supermarktmedewerker. Het plegen van deze delicten getuigt van een gebrek aan respect voor de eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen. Het gaat dan ook om vervelende delicten, waarmee hij direct anderen dupeert en zorgt voor gevoelens van onveiligheid. Ook leidt het strafbare handelen van verdachte tot schade en overlast voor zowel de direct gedupeerden als de samenleving in het geheel.
Als verdachte vervolgens door de politie wordt aangehouden voor deze feiten, verzet hij zich met geweld, dreigt hij met geweld of bespuugt hij politieambtenaren. Verdachte laat hiermee zien geen respect voor het openbaar gezag te hebben en geweld niet te schuwen. Het is voorstelbaar dat verdachte hiermee het veiligheidsgevoel, de eerbaarheid en de persoonlijke hygiëne van de politieambtenaren heeft aangetast. Politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dit soort gedragingen. Dit geldt temeer, omdat hun werk het doorgaans niet toelaat dat zij zich distantiëren van situaties waarin zulke gedragingen zich kunnen voordoen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 16 december 2025, waaruit blijkt dat hij veelvuldig eerder is veroordeeld, onder meer voor diefstal, wederspannigheid en belediging. Er is dus sprake van recidive.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 januari 2026. Hierin constateert de reclassering dat het verblijfsrecht van verdachte (het EU-recht) in Nederland eind oktober 2023 is beëindigd, dat hij kampt met middelenproblematiek, geen huisvesting heeft, zinvolle dagbesteding ontbreekt en persoonlijkheidsproblematiek bij hem niet kan worden uitgesloten. Verdachte kan plots agressief reageren. Het is wenselijk om inzicht te krijgen in zijn problematiek door middel van een diagnostiekafname, gevolgd door een passende behandeling. Volgens de reclassering zit verdachte in een vicieuze cirkel, waarbij het hem ontbreekt aan probleembesef en het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering concludeert dat het niet aannemelijk is dat een ambulant traject gericht op gedragsverandering, recidivebeperking en het opbouwen van een ‘normaal’ leven voor betrokkene enige kans van slagen heeft. De lage responsiviteit van verdachte speelt hierbij de voornaamste rol. Een ISD-traject voor de duur van twee jaren biedt de mogelijkheid om verdachte gedurende langere tijd te beschermen tegen zichzelf en tegelijkertijd de maatschappij te beschermen tegen zijn aanhoudende delictgedrag. In een dergelijke beveiligde setting kan verdachte gericht hulp worden geboden bij het aanpakken van zijn problematiek voorafgegaan door diagnostiekafname, met continuïteit in behandeling en toezicht. De reclassering adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en beschouwt deze maatregel als optimum remedium: het zwaarste, maar ook het enige middel dat kans biedt op gedragsverandering en het beperken van recidive.
Ter zitting heeft [de reclasseringswerker] toegelicht dat een gedragsverandering door middel van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel, in het geval van verdachte niet als haalbaar wordt ingeschat. De motivatie van verdachte om zijn gedrag te veranderen wisselt bijna per uur, aldus [de reclasseringswerker] .
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor een aantal van de bewezenverklaarde feiten voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn er over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte opgemaakt, waarvan tenminste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in Nederland sinds 2023 veertien keer door de politierechter is veroordeeld tot in totaal 492 dagen gevangenisstraf (waarvan 24 dagen voorwaardelijk) en tot 40 uren taakstraf. Deze veroordelingen hebben kennelijk geen positieve gedragsverandering bij verdachte teweeggebracht, in die zin dat deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdediging merkt terecht op dat aan verdachte niet eerder een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden is opgelegd. De rechtbank ziet daar ook nu geen aanleiding voor, omdat het recidiverisico van verdachte naar verwachting daarmee onvoldoende kan worden ingeperkt. De verdediging stelt ter zitting weliswaar dat verdachte zich aan alle denkbare bijzondere voorwaarden wil én kan houden, maar deze stelling wordt in het geheel niet ondersteund door de reclassering en ook uit de houding van verdachte ter zitting volgt een ander beeld. Zo blijkt niet dat verdachte het nut en de noodzaak van gedragsverandering inziet; er is sprake van ontbrekend probleembesef en een lage responsiviteit. Tijdens de zitting toonde hij geen enkel inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor anderen, liet hij zich minachtend uit over de politieambtenaren die hij heeft bespuugd en toonde hij geen enkel respect voor de rechtbank. Daarnaast heeft verdachte in Nederland geen sociaal netwerk, geen woning, geen werk of inkomen en is zijn verblijfsrecht beëindigd, waardoor hij hier geen beroep kan doen op sociale voorzieningen.
Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte zich aan welke bijzondere voorwaarde dan ook zal houden. Daarmee is de rechtbank in lijn met het reclasseringsadvies van oordeel dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare gedrag van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus als optimum remedium passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken. Gedurende de ISD-maatregel kan diagnostiek worden verricht, kunnen de nodige behandelingen worden ingezet, en kan – zo mogelijk – ingezet worden op resocialisatie, met aandacht voor de huidige verblijfsstatus van verdachte in Nederland. Als verdachte deze kansen benut en zijn gedrag ten positieve verandert, staat hem na afloop van de ISD-maatregel mogelijk een leven zonder strafbaar gedrag te wachten, met wellicht een eigen woning en betaald werk, zoals hij graag wil. Om ervoor te zorgen dat de overlast voor de maatschappij door verdachte wordt voorkomen in de toekomst, is een ISD-maatregel dus noodzakelijk. Daarvoor hoeft er geen sprake te zijn van een ‘ultimum remedium’.
Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om een effectieve behandeling mogelijk te maken, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om op voorhand te bepalen dat er een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel dient plaats te vinden. Er zijn immers geen aanwijzingen dat het traject binnen de ISD-maatregel niet voortvarend zal worden opgepakt. Voor verdachte en zijn raadsman staat wel de mogelijkheid open om op enig moment een verzoek in te dienen om tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel.

7.Het beslag

7.1.
De teruggave
parketnummer 02-241087-25
Ten aanzien van het bij verdachte in beslag genomen voorwerp, zijnde aan flesje parfum van het merk Tommy Hilfiger (voorwerpnummer: BZAQ8764), wordt de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende, omdat geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. Dit betreft geen parfum waarop feit 1 ziet.

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

parketnummer 02-288154-25
De benadeelde partijen [verbalisant 7] en [verbalisant 6] vorderen ieder afzonderlijk een schadevergoeding van € 401,- voor feit 3, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partijen hebben zij immateriële schade geleden doordat zij tijdens hun werk als politieambtenaar door verdachte zijn bespuugd op onder meer hun keel en zij dit als vies en zeer vernederend hebben ervaren.
Ter zitting heeft verdachte de hoogte van de vordering betwist.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 3 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partijen te vergoeden.
De door de benadeelde partijen gevorderde bedragen aan schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Verdachte heeft gespuugd op de keel, en dus in de buurt van het gezicht, van de benadeelde partijen. Naast aantasting in hun persoonlijke hygiëne zijn de benadeelde partijen daardoor in hun goede naam aangetast.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van feit 3.
De rechtbank vermeerdert de toegewezen schadebedragen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van de toegekende schadebedragen en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 180, 266, 267, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-241087-25
feit 1: diefstal;
feit 2: wederspannigheid;
parketnummer 02-288154-25
feit 1: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
feit 2: wederspannigheid;
feit 3: belediging, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de
plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;
Benadeelde partijen
parketnummer 02-288154-25
Ten aanzien van feit 3:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 7] van € 401,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 7] , € 401,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling vier dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 6] van € 401,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 6] , € 401,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling vier dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
parketnummer 02-241087-25
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: 1 STK Parfum (BZAQ8764, TOMMY HILFIGER).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en
mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 19 februari 2026.
Mr. S.C.S. van Bree en mr. E.G.F. Vliegenberg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
parketnummer 02-241087-25
1
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Tilburg, althans in Nederland,
twee, althans een of meerdere parfums met een totale waarde van 186,34 euro, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een
ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Tilburg,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een/meer ambtena(a)r(en) van politie Zeeland West Brabant, [aangever 1]
en/of [aangever 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun
bediening, te weten ter aanhouding van verdachte,
door (met kracht) (om zich heen) te trappen en/of te spugen en/of die [aangever 1]
en/of [aangever 2] voornoemd dreigend de woorden toe te voegen 'I kill you',
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 180 Wetboek Pro van Strafrecht )
parketnummer 02-288154-25
1
hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Tilburg
drumsticks en/of gehakt en/of kipbraadsticks en/of wijn en/of een airco en/of een
tas/koffer, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [supermarkt] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 3]
(werkzaam als leidinggevende bij [supermarkt] ),
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever 3]
voornoemd meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het linkeroor en/of
de slaap en/of het hoofd te slaan;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Tilburg,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een/meer ambtena(a)r(en) werkzaam voor politie Zeeland West Brabant,
[verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5]
, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te
weten om verdachte aan te houden teneinde hem ter voorgeleiding aan een
hulpofficier van justitie ten spoedigste over te brengen naar het politiebureau te
Tilburg,
door
* opzettelijk gewelddadig in een andere/tegenovergestelde richting te trekken en/of
te rukken en/of te duwen dan die waarin/waarheen die ambtenaren/ambtenaar
voornoemd hem, verdachte, trachtte(n) te brengen/geleiden en/of
* (te proberen) een kopstoot te geven en/of
* dreigende uitspraken te doen (zoals 'ik ga jouw dochter vermoorden' en/of 'ik ga
jullie moeder neuken') en/of
* (met kracht) te trappen en/of
* te dreigen met spugen;
( art 180 Wetboek Pro van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Tilburg
opzettelijk
twee, althans een ambtena(a)r(en) werkzaam voor politie Zeeland West Brabant, te
weten [verbalisant 6] en/of [verbalisant 7] , gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,
in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,
heeft beledigd,
door hem/haar/hun in de nek/tegen de keel en/of op de arm, althans tegen het
lichaam te spugen;
( art 266 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf Pro/sub 2° Wetboek van
Strafrecht )