6.3.Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op twee verschillende momenten in een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met geweld tegen een supermarktmedewerker. Het plegen van deze delicten getuigt van een gebrek aan respect voor de eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen. Het gaat dan ook om vervelende delicten, waarmee hij direct anderen dupeert en zorgt voor gevoelens van onveiligheid. Ook leidt het strafbare handelen van verdachte tot schade en overlast voor zowel de direct gedupeerden als de samenleving in het geheel.
Als verdachte vervolgens door de politie wordt aangehouden voor deze feiten, verzet hij zich met geweld, dreigt hij met geweld of bespuugt hij politieambtenaren. Verdachte laat hiermee zien geen respect voor het openbaar gezag te hebben en geweld niet te schuwen. Het is voorstelbaar dat verdachte hiermee het veiligheidsgevoel, de eerbaarheid en de persoonlijke hygiëne van de politieambtenaren heeft aangetast. Politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dit soort gedragingen. Dit geldt temeer, omdat hun werk het doorgaans niet toelaat dat zij zich distantiëren van situaties waarin zulke gedragingen zich kunnen voordoen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 16 december 2025, waaruit blijkt dat hij veelvuldig eerder is veroordeeld, onder meer voor diefstal, wederspannigheid en belediging. Er is dus sprake van recidive.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 januari 2026. Hierin constateert de reclassering dat het verblijfsrecht van verdachte (het EU-recht) in Nederland eind oktober 2023 is beëindigd, dat hij kampt met middelenproblematiek, geen huisvesting heeft, zinvolle dagbesteding ontbreekt en persoonlijkheidsproblematiek bij hem niet kan worden uitgesloten. Verdachte kan plots agressief reageren. Het is wenselijk om inzicht te krijgen in zijn problematiek door middel van een diagnostiekafname, gevolgd door een passende behandeling. Volgens de reclassering zit verdachte in een vicieuze cirkel, waarbij het hem ontbreekt aan probleembesef en het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering concludeert dat het niet aannemelijk is dat een ambulant traject gericht op gedragsverandering, recidivebeperking en het opbouwen van een ‘normaal’ leven voor betrokkene enige kans van slagen heeft. De lage responsiviteit van verdachte speelt hierbij de voornaamste rol. Een ISD-traject voor de duur van twee jaren biedt de mogelijkheid om verdachte gedurende langere tijd te beschermen tegen zichzelf en tegelijkertijd de maatschappij te beschermen tegen zijn aanhoudende delictgedrag. In een dergelijke beveiligde setting kan verdachte gericht hulp worden geboden bij het aanpakken van zijn problematiek voorafgegaan door diagnostiekafname, met continuïteit in behandeling en toezicht. De reclassering adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en beschouwt deze maatregel als optimum remedium: het zwaarste, maar ook het enige middel dat kans biedt op gedragsverandering en het beperken van recidive.
Ter zitting heeft [de reclasseringswerker] toegelicht dat een gedragsverandering door middel van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel, in het geval van verdachte niet als haalbaar wordt ingeschat. De motivatie van verdachte om zijn gedrag te veranderen wisselt bijna per uur, aldus [de reclasseringswerker] .
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor een aantal van de bewezenverklaarde feiten voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn er over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte opgemaakt, waarvan tenminste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in Nederland sinds 2023 veertien keer door de politierechter is veroordeeld tot in totaal 492 dagen gevangenisstraf (waarvan 24 dagen voorwaardelijk) en tot 40 uren taakstraf. Deze veroordelingen hebben kennelijk geen positieve gedragsverandering bij verdachte teweeggebracht, in die zin dat deze veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De verdediging merkt terecht op dat aan verdachte niet eerder een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden is opgelegd. De rechtbank ziet daar ook nu geen aanleiding voor, omdat het recidiverisico van verdachte naar verwachting daarmee onvoldoende kan worden ingeperkt. De verdediging stelt ter zitting weliswaar dat verdachte zich aan alle denkbare bijzondere voorwaarden wil én kan houden, maar deze stelling wordt in het geheel niet ondersteund door de reclassering en ook uit de houding van verdachte ter zitting volgt een ander beeld. Zo blijkt niet dat verdachte het nut en de noodzaak van gedragsverandering inziet; er is sprake van ontbrekend probleembesef en een lage responsiviteit. Tijdens de zitting toonde hij geen enkel inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor anderen, liet hij zich minachtend uit over de politieambtenaren die hij heeft bespuugd en toonde hij geen enkel respect voor de rechtbank. Daarnaast heeft verdachte in Nederland geen sociaal netwerk, geen woning, geen werk of inkomen en is zijn verblijfsrecht beëindigd, waardoor hij hier geen beroep kan doen op sociale voorzieningen.
Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte zich aan welke bijzondere voorwaarde dan ook zal houden. Daarmee is de rechtbank in lijn met het reclasseringsadvies van oordeel dat een voorwaardelijk kader onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare gedrag van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus als optimum remedium passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken. Gedurende de ISD-maatregel kan diagnostiek worden verricht, kunnen de nodige behandelingen worden ingezet, en kan – zo mogelijk – ingezet worden op resocialisatie, met aandacht voor de huidige verblijfsstatus van verdachte in Nederland. Als verdachte deze kansen benut en zijn gedrag ten positieve verandert, staat hem na afloop van de ISD-maatregel mogelijk een leven zonder strafbaar gedrag te wachten, met wellicht een eigen woning en betaald werk, zoals hij graag wil. Om ervoor te zorgen dat de overlast voor de maatschappij door verdachte wordt voorkomen in de toekomst, is een ISD-maatregel dus noodzakelijk. Daarvoor hoeft er geen sprake te zijn van een ‘ultimum remedium’.
Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om een effectieve behandeling mogelijk te maken, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om op voorhand te bepalen dat er een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de ISD-maatregel dient plaats te vinden. Er zijn immers geen aanwijzingen dat het traject binnen de ISD-maatregel niet voortvarend zal worden opgepakt. Voor verdachte en zijn raadsman staat wel de mogelijkheid open om op enig moment een verzoek in te dienen om tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel.