ECLI:NL:RBZWB:2026:103

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE - 25 _ 6795
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in belastingzaak

Op 12 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening heeft aangevraagd tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Verzoeker had eerder beroep aangetekend tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, maar verzocht nu om zijn beroep direct gegrond te verklaren en om de stukken van de inspecteur buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft het verzoekschrift van verzoeker doorgestuurd naar de inspecteur en verzocht om een reactie. Echter, verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en direct uitspraak te doen.

De voorzieningenrechter heeft besloten om geen zitting te houden en direct uitspraak te doen, omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er geen spoedeisend belang was dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker had aangevoerd dat de inspecteur onrechtmatig handelde en dat er sprake was van een spookprocedure, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat deze argumenten onderdeel uitmaakten van de beroepsgronden in de bodemprocedure en dat er geen reden was voor een voorlopige voorziening. Het verzoek is afgewezen en er is geen proceskostenvergoeding toegekend aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6795

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur met dagtekening 28 maart 2025 betreffende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met [aanslagnummer]. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 25/2104.
1.2.
Naast het ingestelde beroep, heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In zijn verzoekschrift verzoekt verzoeker om zijn beroep met zaaknummer 25/2104 direct gegrond te verklaren. In een aanvullend stuk verzoekt verzoeker om de door de inspecteur gesteld te laat ingediende stukken buiten beschouwing te laten en vast te stellen dat de vordering van de inspecteur onrechtmatig is vanwege gebrek aan wettelijk bewijs.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 5 januari 2026 het ingekomen verzoekschrift van belanghebbende doorgezonden aan de inspecteur en de inspecteur verzocht om uiterlijk 19 januari 2026 te reageren.
1.4.
Belanghebbende heeft de voorzieningenrechter bij brief van 5 januari 2026 verzocht om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en per ommegaande uitspraak te doen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Geen zitting, direct uitspraak
2. De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om geen verdere reactie van de inspecteur af te wachten en direct op het verzoek te beslissen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk kennelijk ongegrond (zie hierna onder 2.6 en 2.7), zodat de voorzieningenrechter het afwachten van een verdere reactie van de inspecteur niet zinvol acht. Als een verzoek kennelijk ongegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor de zitting. [1] De voorzieningenrechter heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en daarom een zitting achterwege gelaten.
Beoordeling van het verzoek
2.1.
De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [2] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
2.2.
De rechtbank constateert dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit van de inspecteur een beroepsprocedure op naam van belanghebbende loopt (zie 1.1). Aan het vereiste van connexiteit is dus voldaan.
2.3.
Slechts in het geval sprake is van een spoedeisend belang en de aanslagen onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig zijn opgelegd, kan de voorzieningenrechter de gevraagde voorlopige voorziening toewijzen. Het is aan verzoeker om dat aannemelijk te maken. [3]
2.4.
Belanghebbende heeft verzocht om zijn beroep met zaaknummer 25/2104 (de hoofdprocedure) direct gegrond te verklaren omdat (i) de inspecteur refereert aan een niet-bestaand zaaknummer, (ii) de inspecteur stelselmatig een ander BSN-nummer gebruikt, (iii), de inspecteur te laat is met indienen van stukken en claimt het bezwaar na de dagtekening ervan te hebben ontvangen, (iv) de handelwijze van de inspecteur haaks staat op de beleidslijnen van zijn eigen Ministerie, en (v) er geen mandaat is overgelegd waaruit blijkt dat een ambtenaar in Apeldoorn bevoegd is te beslissen over een dossier van kantoor Heerlen. Verder verzoekt verzoeker om vaststelling dat de vordering van de inspecteur onrechtmatig is vanwege gebrek aan wettelijk bewijs.
2.5.
Ter onderbouwing van de spoedeisendheid van het verzoek heeft belanghebbende – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er een spookprocedure is, verzoeker met post bestookt wordt door de inspecteur die onrechtmatig is en afwachten niet meer kan omdat de chaos compleet is. Het landsbelang eist dat er nu een eind komt aan de rechtsonzekerheid.
2.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat hetgeen belanghebbende aanvoert, onderdeel uitmaakt van de beroepsgronden in de bodemprocedure en deze zaak vereist naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisende voorlopige voorziening. De voorlopige voorzieningsrechter begrijpt dat de periode waarin afgewacht moet worden op behandeling van de zaak door de rechtbank, voor verzoeker – net als voor vele andere rechtzoekenden – een lastige periode kan zijn met de onzekerheid over wat de uitkomst van de procedure zal gaan zijn. Dat gezegd hebbende is van een spoedeisend belang welke het nodig maakt om een voorlopige voorziening te treffen, naar het oordeel van de voorlopige voorzieningenrechter geen sprake.
2.7.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op het hiervoor overwogene, als kennelijk ongegrond af. Omdat het verzoek wordt afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:81 van de Awb.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:983, r.o. 3.6.