ECLI:NL:RBZWB:2026:1033

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
02-146809-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 6:6:12 SvArt. 6.3 Wet forensische zorgArt. 12 Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging tbs met dwangverpleging wegens hoog recidiverisico en passantenproblematiek

Betrokkene is in januari 2024 ter beschikking gesteld (tbs) met dwangverpleging wegens brandstichting. De rechtbank ontving in december 2025 een vordering tot verlenging van de tbs met twee jaar. Betrokkene verblijft nog steeds in een penitentiaire inrichting (PI) en de behandeling is nog niet gestart.

De tbs-instelling adviseert verlenging vanwege een licht verstandelijke beperking, schizofreniespectrumstoornis, en een patroon van recidiverende brandstichtingen. Betrokkene heeft onvoldoende frustratietolerantie en copingvaardigheden, wat leidt tot gevaarlijk gedrag. De behandelprognose is matig en een langdurige klinische behandeling in een forensische setting is noodzakelijk.

De verdediging betoogt dat de vordering niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van wettelijke aantekeningen en wijst op de lange wachtperiode in detentie zonder juiste detentietitel, wat strijdig zou zijn met diverse wettelijke bepalingen en het EVRM. De rechtbank oordeelt echter dat de vordering ontvankelijk is, het verlengingsadvies voldoet aan de wettelijke eisen en dat het ontbreken van wettelijke aantekeningen geen reden is voor niet-ontvankelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat het recidiverisico hoog is en dat verlenging noodzakelijk is voor de veiligheid van de samenleving. Hoewel de langdurige wachtperiode in de PI zorgelijk is, is dit geen reden om de tbs niet te verlengen. De rechtbank verlengt de tbs met dwangverpleging met twee jaar en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de tbs met dwangverpleging met twee jaar vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van klinische behandeling ondanks langdurige wachtperiode in detentie.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-146809-23
Beslissing van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1965,
thans verblijvende te PI [locatie] ,
hierna: betrokkene,
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 4 januari 2024 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast en is zijn verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) bevolen. De tbs is gelast ter zake van brandstichting. De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De ingangsdatum van de tbs was 11 februari 2024. Betrokkene verblijft nog steeds in de PI en behandeling is nog niet aangevangen.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 18 december 2025 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met dwangverpleging met twee jaar.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026 behandeld. De officier van justitie mr. M.C. Fimerius is gehoord. Daarnaast is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman.
Verder is als deskundige gehoord [persoon], GZ-psycholoog en regiebehandelaar bij [tbs-instelling] (hierna: de tbs-instelling).

3.Adviezen

3.1.
Advies tbs-instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 11 december 2025 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar en heeft daartoe in haar advies, samengevat, het volgende vermeld. Betrokkene is bekend met een licht verstandelijke beperking en een schizofreniespectrumstoornis dan wel schizofrenie.
Uit de voorgeschiedenis van betrokkene blijkt dat sprake is geweest van herhaaldelijk agressief en zelfbeschadigend gedrag. Hij is bekend met het stichten van brand. Vanuit zijn onveranderbare verstandelijke beperking begrijpt betrokkene onvolledig dat hij zijn geld en rookwaar niet in eigen beheer mag hebben voor de veiligheid van hemzelf en anderen en raakt hierover toenemend gefrustreerd. Als voor betrokkene de maat vol is, sticht hij brand vanuit een vertrekwens. Bij dergelijk recidiverend gedrag handelt hij dusdanig gevaarlijk voor zichzelf en/of voor zijn omgeving, dat hij (gedeeltelijk) krijgt wat hij wenst (zoals uitplaatsing). Vanwege zijn beperkte leervermogen heeft betrokkene tot op heden niet geleerd om deze conditionering te doorbreken. Verder is bekend dat wanneer hij wordt overvraagd, dit voor directe spanningsverhoging zorgt en het hem ontbreekt aan adequate copingvaardigheden en voldoende frustratietolerantie om hiermee om te gaan. Toenemende stress leidt bij hem tot instabiliteit in stemming, cognities en gedrag en dan neemt ook het risico op psychiatrische ontregeling met achterdocht en vijandigheid toe, waarbij er een hoog risico ontstaat op controleverlies over impulsen, resulterend in geweld, zoals brandstichting of fysieke agressie. Bij gebruik van antipsychotica ervaart betrokkene zelf meer rust in zijn hoofd en is hij minder dwingend en beter te begeleiden.
De problematiek van betrokkene is pervasief en persisterend. Bij een hoge spanning is er sprake van een ontoereikende frustratietolerantie en rigiditeit van het denken, waarbij negatieve gedachten de overhand kunnen nemen. Het is van belang het gedragspatroon te doorbreken. Hij moet zich meer bewust worden van de impact en gevaarlijkheid van zijn handelen. Ondanks zijn beperkte leerbaarheid zal de strakke structuur en begeleiding naar verwachting wel effect kunnen hebben op het probleemgedrag. De behandelprognose wordt ingeschat als matig. Wat betreft het behandeladvies wordt een langdurige behandeling gericht op het voorkomen van delictgedrag als de enige mogelijkheid gezien. Betrokkene zal moeten leren dat zijn gedrag niet acceptabel is in deze maatschappij en zo mogelijk wat de gevolgen ervan zijn voor zowel zichzelf als anderen. Gezien het persisterende hoge recidiverisico wordt een klinische behandeling in een setting voor patiënten met een verstandelijke beperking en met een hoog beveiligingsniveau (te denken valt aan FPC [tbs-instelling]) als noodzakelijk gezien. Hierbij moet worden ingezet op bewerking van het recidiverisico, onder meer door middel van delictscenario/-analyse en het vergroten van het inzicht van de impact van zijn gedragingen. Ook kan tijdens de behandeling de antipsychotische medicatie verder worden geoptimaliseerd. Er wordt vanwege het gebrekkige probleeminzicht, de geringe leerbaarheid en het ontbreken van een intrinsieke behandelmotivatie geen mogelijkheid gezien om dit in een vrijwillig kader, zoals een tbs met voorwaarden, uit te voeren. Als na een succesvolle behandeling het recidiverisico als voldoende beperkt wordt ingeschat, lijkt een plaatsing binnen een (forensische) beschermde woonvorm bij een instelling gericht op de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking het hoogst haalbare.
Het recidiverisico wordt zowel klinisch als ook met behulp van semigestructureerde risicotaxatie-instrumenten (HKT-R en SAPROF) ingeschat als hoog, bij uitblijven van de juiste vorm van behandeling gericht op het voorkomen van het delictgedrag. Het betreft met name het risico op brandstichtingen, mogelijk met ernstige gevolgen, zoals zwaar lichamelijk letsel of overlijden. Er is een patroon van brandstichtingen. De historische en klinische risicofactoren zijn hoog en er is geen sprake van responsiviteit. Ook bij toezicht wordt het recidiverisico als hoog ingeschat, waarbij wordt opgemerkt dat dit in een gespecialiseerde forensische setting als matig wordt ingeschat.
De behandeling is nog niet aangevangen. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat de complexe psychopathologie bij betrokkene nog steeds aanwezig is en dat daarmee het recidivegevaar onveranderd hoog is gebleven. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat een voorwaardelijke beëindiging binnen een jaar aan de orde zal zijn.
Betrokkene zal naar verwachting eind 2026 worden geplaatst in de tbs-instelling. Na opname is het doel om te komen tot een behandeling van de risicofactoren.
Ter zitting heeft de deskundige daaraan het volgende toegevoegd. Betrokkene staat momenteel op een wachtlijst voor opname in de tbs-instelling. Bij betrokkene is er sprake van een ernstig recidiverend gedragspatroon en hij is telkens ontregeld op basis van onvoldoende frustratietolerantie. Ook ontbreekt het hem nog steeds aan probleembesef. Gelet daarop is behandeling binnen een forensisch kader noodzakelijk. Wanneer betrokkene binnen een forensisch kader zal worden behandeld, dan wordt het recidiverisico lager ingeschat, maar dat is wel hoger dan laag.

4.Standpunt van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert primair om de vordering de tbs met dwangverpleging met twee jaar te verlengen toe te wijzen. Subsidiair verzoekt zij om aanhouding van de behandeling van de vordering, zodat – eventueel met tussenkomst van deskundige [persoon] – verslagen over betrokkene in de PI kunnen worden opgevraagd die dan als wettelijke aantekeningen kunnen worden beschouwd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair om de vordering van de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen.
Zij voert daartoe het volgende aan. Aan de vordering van de officier van justitie liggen niet de vereiste stukken, zoals bedoeld in artikel 6:6:12, eerste lid onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag, zodat de rechtbank onvoldoende is voorgelicht over betrokkene en niet tot een zorgvuldige beoordeling kan komen. Aan de vordering liggen alleen oude stukken ten grondslag die niet bruikbaar zijn en de wettelijke aantekeningen ontbreken. Verder blijkt dat betrokkene nu bijna twee jaar langer in een Huis van Bewaring verblijft zonder juiste detentietitel. Buiten het feit dat die situatie voor betrokkene buitengewoon stressvol is en bij hem depressieve klachten veroorzaakt, is de verdediging van mening dat de huidige situatie van betrokkene in strijd is met een aantal wettelijke bepalingen. Op basis van artikel 6.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg geschiedt de plaatsing van een ter beschikking gestelde in een instelling binnen een termijn van vier maanden na aanvang van de termijn van de tbs. Op basis van het tweede lid van dat artikel is Onze Minister bevoegd om ter beschikking gestelden gedurende een termijn van maximaal één jaar te plaatsen in een instelling die als organisatorisch verband deel uitmaakt van een penitentiaire inrichting, zolang de opname van de ter beschikking gestelden in een voor hen bestemde plaats niet mogelijk is. Artikel 12, eerste lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaalt dat de plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van terbeschikkingstelling zes maanden heeft gelopen.
Een passantentermijn van zes maanden of meer, waar in dit geval sprake van is, is verder in strijd met artikel 5, eerste lid, van het EVRM. Verlenging van de passantentermijn zou in strijd zijn met het recht. Ook is er sprake van strijd met artikel 15 van Pro de Grondwet.
De verdediging verzoekt subsidiair om de tbs met maximaal één jaar te verlengen, zodat wordt voorkomen dat betrokkene over één jaar nog steeds niet in een tbs-instelling zit. Op die manier kan de rechtbank een tussentijds toetsmoment inbouwen, zodat kan worden bekeken of er al sprake is van een plaatsing van betrokkene in een tbs-instelling of dat er nog steeds geen zicht is op een plaatsing.

5.Beoordeling

De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat zij in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de tbs is gelast.
De vordering tot verlenging van de tbs is tijdig, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zal eindigen, ingediend.
Wanneer er sprake is van tbs met dwangverpleging bepaalt artikel 6:6:12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering welke documenten bij een verlengingsvordering van de officier van justitie moeten worden overgelegd. Het gaat dan om (1) een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting (hierna: verlengingsadvies) en (2) een afschrift van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de tbs-gestelde (hierna: wettelijke aantekeningen).
In deze zaak is een recent opgemaakt verlengingsadvies verstrekt, opgesteld door het hoofd van de tbs-instelling. Betrokkene staat op de wachtlijst voor plaatsing in de tbs-instelling. Betrokkene is voor de totstandkoming van dit verlengingsadvies niet gesproken. Daarnaast heeft de deskundige ter zitting een nadere toelichting gegeven op het advies. Voorafgaand aan de zitting heeft hij betrokkene gesproken.
De rechtbank is van oordeel dat dit verlengingsadvies voldoet aan de wettelijke vereisten, te meer nu dit wordt bevestigd door de verklaring van de deskundige ter zitting. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk dat betrokkene in de tbs-instelling zal worden opgenomen zodra daar plaats is voor hem. Onder die omstandigheid kan het hoofd van de tbs-instelling worden beschouwd als de meest voor de hand liggende partij om het wettelijk vereiste verlengingsadvies op te stellen, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Deze situatie is in de wet niet voorzien, maar er is geen aanleiding om in de wettekst een verbod te lezen voor een dergelijke oplossing.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke aantekeningen ontbreken. In zoverre is niet aan de wettelijke vereisten van artikel 6:6:12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voldaan. De rechtbank zal aan dit verzuim echter geen gevolgen verbinden. Wettelijke aantekeningen worden opgemaakt door het personeel in een tbs-instelling, maar omdat betrokkene niet in een tbs-instelling verblijft, zijn die wettelijke aantekeningen er niet. Als de rechtbank, wegens het ontbreken van de wettelijke aantekeningen, de officier van justitie niet-ontvankelijk zou verklaren in de vordering of de vordering zou afwijzen, zoals primair bepleit door de verdediging, dan is het gevolg dat betrokkene in vrijheid wordt gesteld. Die uitkomst is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de inschatting van de risico’s en gelet op het feit dat er tot nu toe geen behandeling heeft plaatsgevonden om het recidiverisico te beperken, onaanvaardbaar. De rechtbank heeft in dit geval genoeg informatie over de situatie van betrokkene om zich een oordeel te kunnen vormen over de noodzaak van de verlenging van de tbs. Gelet op het voorgaande is de officier van justitie dus ontvankelijk in de vordering en hoeft de behandeling van de vordering niet te worden aangehouden. Bovendien kunnen verslagen van de PI over betrokkene niet worden beschouwd als wettelijke aantekeningen.
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs eist.
Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
Hoewel het verlengingsadvies van de tbs-instelling is gebaseerd op informatie uit 2023 en niet is opgesteld op basis van eigen onderzoek van betrokkene, geeft het op dit moment voldoende informatie om een conclusie te kunnen trekken over de aanwezigheid van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling en het daarmee gepaard gaande recidiverisico. In dit verband is tevens van belang dat de deskundige in januari 2026 heeft gesproken met betrokkene en zich ervan heeft vergewist dat de problematiek van betrokkene die in 2023 is vastgesteld ook thans nog aanwezig is. Op basis van het verlengingsadvies en de toelichting van de deskundige ter zitting wordt nog steeds voldaan aan het wettelijke criterium.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs van betrokkene eist. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit wordt voldaan.
Ten aanzien van de passantenproblematiek sluit de rechtbank zich aan bij het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland. [1]
Verder overweegt de rechtbank dat, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, het niet opnemen van betrokkene in een tbs-kliniek de rechtmatige titel van vrijheidsbeneming van betrokkene die bestaat in het vonnis van 4 januari 2024 van de rechtbank, niet wordt aangetast. De bij dit vonnis opgelegde maatregel strekt immers mede tot beveiliging van de maatschappij tegen het plegen van nieuwe delicten. Van onrechtmatige detentie is mitsdien geen sprake. Voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van een opgelegde tbs-maatregel is het belangrijk dat deze ook daadwerkelijk en zonder lange wachttijd kan worden geëffectueerd. De rechtbank vindt het dan ook zeer zorgelijk en onwenselijk dat de wachttijden nu zo lang zijn dat een tbs-gestelde na afloop van de eerste twee jaar van de tbs nog steeds als passant op een plek wacht. In deze zaak brengt betrokkene al bijna twee jaar door in detentie zonder concreet zicht op een datum van opname in de tbs-instelling.
Dit is een situatie waarin de wettelijke regeling voor het verlengen van een tbs-maatregel niet heeft voorzien en die ook niet de bedoeling van de wetgever is geweest. De wettelijke norm voor plaatsing van een tbs-gestelde in een passende kliniek is namelijk vier maanden op basis van artikel 6.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg en de plaatsing als ‘tbs-passant’ in een penitentiair psychiatrisch centrum mag op basis van lid 2 van het voornoemde artikel maximaal één jaar duren.
In deze zaak verblijft betrokkene in afwijking van de hiervoor genoemde wettelijke termijnen al veel langer in een PI. Dat is voor de rechtbank echter geen reden om de tbs niet te verlengen. De tbs vindt de rechtbank onverminderd noodzakelijk in het licht van de diagnostiek bij betrokkene en het recidivegevaar. Beëindiging van de tbs zou nu tot onverantwoorde veiligheidsrisico’s in de samenleving leiden.
De rechtbank is zich ervan bewust dat de verlenging van de tbs met dwangverpleging zal leiden tot een langer durende detentie, omdat er ook nu nog geen zicht is op een datum van opname in een tbs-instelling, anders dan de verwachting dat opname eind 2026 zal plaatsvinden.
De strafrechter heeft echter niet de taak en verantwoordelijkheid om de problematiek van tbs-passanten op te lossen. De rechtbank ziet het wel als haar verantwoordelijkheid deze problematiek (blijvend) onder de aandacht te brengen.
Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan één jaar, de tbs – behoudens bijzondere omstandigheden – moet worden verlengd met een termijn van twee jaar.
In dit geval is het aannemelijk dat de behandeling en resocialisatie meer dan één jaar in beslag zullen nemen. De behandeling moet namelijk nog starten en het is niet de verwachting dat dit op korte termijn zal plaatsvinden. Dat betrokkene al bijna twee jaar wacht op een plek in de tbs-instelling is voor de rechtbank geen bijzondere omstandigheid om de tbs met één jaar te verlengen. Het is namelijk ook niet zeker dat betrokkene over een jaar wel is opgenomen in de tbs-instelling. Hoe schrijnend dit ook is, de rechtbank kan plaatsing van betrokkene in een tbs-instelling niet afdwingen, ook niet door de termijn van de tbs maar met één jaar te verlengen. De rechtbank zal de tbs met dwangverpleging van betrokkene met twee jaar verlengen.

6.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de tbs met dwangverpleging met
2 (twee) jaar;
wijst afhet meer of anders gevorderde of verzochte.
Deze beslissing is genomen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier en is
uitgesproken ter openbare zitting op 19 februari 2026.

Voetnoten

1.Vonnis Rechtbank Midden-Nederland 18 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1154.