Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland
[vergunninghouder 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] , uit [plaats 1] (vergunninghouder)
Samenvatting
.Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de terrasvergunning op 11 maart 2024 van rechtswege is ontstaan, waardoor het college op 18 april 2024 niet meer bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Het weigeringsbesluit is om die reden herroepen. Het college heeft ook de beslissing genomen om de van rechtswege verleende terrasvergunning openbaar te maken.
- Het college heeft bepaald dat de van rechtswege verleende terrasvergunning alleen geldt voor de maanden juli en augustus. Het college heeft geen belangenafweging gemaakt, omdat het college niet meer bevoegd was om een beslissing op de aanvraag te nemen.
In wat eiser 1 heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (toch) niet van toepassing zou zijn op de terrasvergunning. De rechtbank volgt het betoog van eiser 1 namelijk niet dat de verwijzing van artikel 2:10, achtste lid, van de APV in strijd is met de Ow en daardoor onverbindend zou zijn.
Uit de stukken is verder niet gebleken van een connectie tussen het schietincident en het vergunde terras. Het betoog van eiser 2 dat sprake zou zijn van omzetverlies door verwarde klanten kan verder tot niets leiden omdat dit niet ziet op een van de weigeringsgronden. Dit is bovendien praktisch op te lossen door de terrassen verschillend in te richten zodat voor bezoekers duidelijk is welk terras bij welke horecazaak hoort.