ECLI:NL:RBZWB:2026:1045

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/02/442507 KG ZA 25-646
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 1 RvArt. 1:68 lid 2 BWArt. 259 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking Iraanse religieuze echtscheiding wegens onduidelijkheid en onvoldoende spoedeisend belang

Partijen zijn in 2008 in Iran gehuwd en in 2017 door de Nederlandse rechter gescheiden. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder het verschijnen bij een geestelijke en inschrijving bij de Iraanse ambassade. De man werd bij verstek veroordeeld, maar stelde verzet in omdat het vonnis niet persoonlijk was betekend en hij het niet eens is met de vordering.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzet tijdig en ontvankelijk is ingesteld. Inhoudelijk is onvoldoende duidelijk welke vorm van religieuze scheiding de vrouw verlangt, terwijl dit essentieel is vanwege de financiële en juridische gevolgen, zoals de bruidsgave. De man is bereid mee te werken aan een khul scheiding, maar niet aan andere vormen vanwege financiële belangen.

De rechtbank stelt dat nader onderzoek nodig is en dat een kort geding zich niet leent voor een dergelijke complexe beoordeling. Ook is het spoedeisend belang onvoldoende aangetoond, aangezien partijen al in 2018 gescheiden zijn en de vrouw haar situatie onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom worden de vorderingen van de vrouw afgewezen en worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot medewerking aan de Iraanse religieuze echtscheiding worden afgewezen wegens onduidelijkheid en onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/442507 KG ZA 25-646
Vonnis in verzet in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiseres,
gedaagde in verzet,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri.
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde,
eiser in verzet,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 7 juli 2025 in de zaak met kenmerk C/02/435618 /KG ZA 25-2383 en alle daarin vermelde stukken;
- de verzetdagvaarding van 10 december 2025 met producties;
- de brieven van mr. Van Beers van 30 december 2025 en 5 januari 2026 met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de door mr. Hashem Jawaheri op 8 januari 2026 ingediende productie;
- de zitting op 8 januari 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, waarbij mr. Hashem Jawaheri via een Teams-verbinding aanwezig was.
Voor de vrouw was tevens een tolk aanwezig.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2008 te [plaats 2] (Iran) met elkaar gehuwd.
Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van [datum 2] 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [datum 3] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
Naar Islamitisch recht zijn partijen tot op heden nog met elkaar gehuwd.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw heeft in de verstekprocedure gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de man te veroordelen
1. om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn volledige en
onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse
religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen
tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke, de heer [persoon] , en het
inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder
verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag of dagdeel dat de man weigert
aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 500.000,=; en
2. in de kosten van die procedure, met bepaling dat als deze kosten niet binnen zeven
dagen na dagtekening van het vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
3.2.
Bij vonnis van 7 juli 2025 is, voor zover nu van belang:
- verstek verleend tegen de man,
- de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn
volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke, de heer [persoon] , en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage;
- de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,= per dag
of dagdeel dat hij niet aan de hierboven uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,= is bereikt;
- de man veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op dat moment begroot op € 949,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.3.
De man komt in verzet tegen voornoemd vonnis. Hij vordert, samengevat, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzet gegrond te verklaren;
II. het verstekvonnis in kort geding van 7 juli 2025 te vernietigen;
en opnieuw recht doende
III. de vrouw in haar oorspronkelijke vordering alsnog niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vordering als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen;
IV. de vrouw te veroordelen in de proceskosten zowel in de oorspronkelijke procedure als in dit verzet, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot en met de dag der algehele voldoening.
3.4.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Het verstekvonnis van 7 juli 2025 is niet in persoon aan hem betekend. Hij is eerst op 25 november 2025 op de hoogte gekomen van dit vonnis, nadat de advocaat van de vrouw bij zijn advocaat heeft geïnformeerd of hij hem zou bijstaan in een te voeren kort geding tot lijfsdwang. Hij heeft binnen vier weken daarna en daarmee tijdig verzet ingesteld. De man is ten onrechte door de vrouw in kort geding gedagvaard geweest en de voorzieningenrechter heeft ten onrechte de vorderingen van de vrouw toegewezen.
De vrouw heeft geen spoedeisend belang bij haar vordering. Partijen zijn sinds [datum 3] 2018 naar Nederlands recht gescheiden. Zij vordert eerst thans, acht jaar later, de medewerking van de man. De vrouw heeft gesteld dat zij door het in standhouden van het islamitische huwelijk problemen kán ondervinden van de zijde van de Iraanse autoriteiten en heeft daarbij een aantal voorbeelden genoemd. Gesteld noch gebleken is dat daarvan thans ook daadwerkelijk sprake is. Daarnaast leent de vordering van de vrouw zich niet voor behandeling in kort geding, vanwege de onomkeerbaarheid van de gevolgen van de beslissing, de complexiteit van o.a. het islamitisch recht en de ingrijpende gevolgen. Ook is onduidelijk of de vrouw medewerking vordert aan de talaq of de khula scheiding. Bij beëindiging van het huwelijk via de talaq moet de man een bruidsgave betalen aan de vrouw en eventueel een onderhoudsbijdrage. Bij beëindiging van het huwelijk op initiatief van de vrouw volgens de khula procedure bestaat er geen (onvoorwaardelijke) aanspraak op uitbetaling van de bruidsgave. De man handelt niet onrechtmatig jegens de vrouw door niet onvoorwaardelijk mee te werken aan totstandkoming van een talaq scheiding. Als de man gehouden zou zijn alsnog aan een talaq scheiding mee te werken, heeft dat voor hem verstrekkende financiële gevolgen. Hij heeft aangeboden om aan een khula scheiding mee te werken, voor zover dat nog nodig zou zijn. Dat aanbod heeft de vrouw niet aangenomen. Voorts is de vordering van de vrouw verjaard. Zij is al sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in 2017 ermee bekend dat zij schade lijdt als de man geen medewerking zou verlenen aan de islamitische scheiding. Bekendheid met de schade en met de aansprakelijke partij maken dat de vordering uit onrechtmatige daad na vijf jaar verjaart. De inhoud en omvang van de schade hoeven op dat moment niet precies bekend te zijn. Van voortdurende onrechtmatige daad is bovendien in de onderhavige situatie tussen partijen geen sprake.
3.5.
De vrouw voert verweer tegen het verzet van de man en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen althans tot afwijzing van die vorderingen.
3.6.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, samengevat, het volgende aan.
De man is opgeroepen via de gerechtsdeurwaarder voor de zitting in juni 2025 en het vonnis is ook betekend. Daarnaast was de vaste advocaat van de man op de hoogte van het eerdere kort geding. De reden dat de man nu deze procedure instelt, is dat hij vreest voor lijfsdwang. De vrouw heeft spoedeisend belang bij haar vordering, nu zij dagelijks wordt belemmerd in haar levensgang. Zij kan niet verder met haar leven en zij kan ook niet naar Iran vanwege de belemmeringen die bestaan voortvloeiende uit het Iraanse huwelijk. Deze beperkingen zijn niet theoretisch. Haar vorderingen kunnen worden beoordeeld in kort geding. Immers, zij verzoekt een ordemaatregel zodat zij verder kan met haar leven. Het is de bruidsgave die de man dwarszit. Partijen kunnen zich voor een oordeel over de verschuldigdheid daarvan altijd (later) nog wenden tot de bodemrechter. Bij het realiseren van de scheiding hoeven partijen nu enkel over de status van de bruidsgave te verklaren. Het is een gegeven, gelet op het feit dat de man de vrouw gevangen houdt in het religieuze huwelijk, dat hij onrechtmatig handelt door zijn medewerking niet te verlenen. Overigens is de grondslag van de vordering van de vrouw artikel 1:68 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en niet artikel 6:162 BW Pro. Daarmee kan de vordering van de vrouw niet verjaren. Daarnaast is nu kenbaar geworden dat de man zijn medewerking niet verleent.
3.7.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In het vonnis van 7 juli 2025 is ambtshalve vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is. Dat geldt tevens voor deze verzetprocedure.
De ontvankelijkheid van het verzet
4.2.
De man, die bij verstek is veroordeeld, heeft tegen het verstekvonnis van 7 juli 2025 verzet ingesteld. De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of de man kan worden ontvangen in zijn verzet.
4.3.
In artikel 143 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat de gedaagde die bij verstek is veroordeeld daartegen in verzet kan komen.
Op grond van lid 2 moet het verzet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
Het derde lid bepaalt dat, buiten de gevallen bedoeld in het tweede lid, de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan aanvangt op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
Artikel 259 Rv Pro bepaalt dat het verzet moet worden gedaan bij de voorzieningenrechter.
4.4.
Het verstekvonnis is op 11 juli 2025 aan de man betekend op het adres [adres] . Een afschrift van het exploot en van het vonnis is achtergelaten in een gesloten envelop, omdat betekening in persoon niet mogelijk was.
4.5.
Het vonnis is aldus niet in persoon betekend. Evenmin is sprake van de situatie dat het vonnis ten uitvoer is gelegd (in die zin dat de executie is voltooid). De vrouw heeft tot slot niet gesteld en evenmin is gebleken van een daad van de man waaruit ondubbelzinnig voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is. De enkele (door de vrouw gestelde en door de man betwiste) ontvangst van een e-mailbericht met als bijlage het vonnis kan niet als daad van bekendheid worden aangemerkt. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de man volgt in zijn stelling dat hij eerst op 25 november 2025 bekend is geworden met het verstekvonnis. De verzetdagvaarding is op 10 december 2025 aan de vrouw betekend, zijnde binnen vier weken na 25 november 2025. Dit betekent dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat de man in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.
Inhoudelijk
4.6.
De vrouw grondt haar vordering op artikel 1:68 lid 2 van Pro het BW. Dit artikel verplicht een partij bij een religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis, als de andere partij daarom verzoekt, tot het verlenen van medewerking aan het tenietdoen van die verbintenis, tenzij dit, gelet op zwaarwegende belangen, in redelijkheid niet kan worden gevergd. Het niet meewerken levert daarmee in beginsel de schending op van een rechtsplicht en een inbreuk op het subjectieve recht van de ander.
4.7.
Het voorgaande brengt met zich mee dat beoordeeld dient te worden of de man onrechtmatig handelt door zijn medewerking te weigeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat in het onderhavige geval voorshands niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Het is vaste jurisprudentie dat, in de woorden van de HR, “de aard van het kort geding meebrengt dat de rechter, indien hij van oordeel is dat hij binnen het kader ener behandeling in kort geding zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen of de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien, de vrijheid moet hebben op die grond de gevraagde voorziening te weigeren” (8 januari 1965, NJ 1965, 162). Die situatie doet zich in deze zaak voor. Daar komt bij dat de vordering van de vrouw onvoldoende is bepaald. Het volgende wordt daartoe in aanmerking genomen.
4.8.
Gebleken is dat ontbinding van het Iraanse huwelijk in verschillende vormen kan, al naar gelang de omstandigheden die tot de scheiding hebben geleid. Tussen partijen is blijkens hun stellingen in geschil welke vorm van scheiding in dit geval aan de orde is en uitgesproken zou moeten worden en daarmee samenhangend of de man de bruidsgave al dan niet verschuldigd is en/of hem daarvoor compensatie toekomt. De vrouw is daar in haar dagvaarding in het geheel niet op ingegaan, terwijl dit wezenlijke aspecten en gevolgen zijn van de vorm van scheiding. Zij heeft ook nagelaten aan te geven hoe zij wil omgaan met de bruidsgave. Pas op de zitting van 8 januari 2026 heeft zij aangegeven dat het niet de khul scheiding dient te zijn, maar een door haar te kiezen vorm - waarbij zij aangeeft eerder de mubarat - en dat zij (in ieder geval een deel van) de bruidsgave op enig moment wenst te ontvangen. De man is juist bereid mee te werken aan de khul procedure en niet aan enige andere vorm, dit in verband met extra financiële verplichtingen of het verlies van financiële aanspraken die volgens de man met de vorm van ontbinding van het religieuze huwelijk onlosmakelijk samenhangen.
4.9.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw aldus onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waaraan (welke vorm van religieuze scheiding) zij concreet de medewerking van de man verlangt. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek nodig is en meer duidelijk moet zijn over de islamitische scheiding en de stand van zaken omtrent de bruidsgave om zich een oordeel te kunnen vormen over de door de man aangevoerde zwaarwegende belangen in het kader van het beroep van de vrouw op artikel 1:68 lid 2 BW Pro. Niet uitgesloten kan namelijk worden dat zijn (financiële) argumenten gewicht in de schaal leggen bij de vraag of hij onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de door de vrouw te bepalen vorm van religieuze scheiding. Een kort geding leent zich niet voor dergelijk onderzoek.
4.10.
De voorzieningenrechter neemt bij het voorgaande nog in aanmerking dat de vrouw weliswaar heeft gesteld dat een aparte procedure gevoerd kan worden over de bruidsgave en dat daarvoor niet van belang is op welke wijze het religieuze huwelijk wordt ontbonden, maar de man heeft dit gemotiveerd betwist en de vrouw heeft geen nadere toelichting of onderbouwing daarvan geleverd. Deze stelling is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden en maakt voornoemd oordeel om die reden niet anders.
4.11.
Tot slot is van belang dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het spoedeisend belang van de vrouw, hetgeen in een kort geding wel een vereiste is. Partijen zijn al in 2018 gescheiden en de vrouw heeft enkel gesteld dat zij nu geen verbintenis met een ander kan aangaan en dat uitreizen naar haar familie in Iran moeilijk is. De man heeft betwist dat er concrete plannen zijn en dat sprake is van een situatie waarin de vrouw zodanig in haar belangen wordt getroffen dat (nu opeens) met spoed een voorziening nodig is. De vrouw heeft haar stellingen in dit verband onvoldoende nader toegelicht en ook niet van onderbouwende stukken voorzien. Van haar kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook worden gevergd dat zij de uitkomst van een te voeren bodemprocedure afwacht.
4.12.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Proceskosten
4.13.
De man vordert de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zowel in de oorspronkelijke procedure als in deze verzetprocedure. In de oorspronkelijke procedure is de man niet verschenen, zodat geen aanleiding bestaat voor de door hem gevorderde veroordeling in proceskosten. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, ziet de voorzieningenrechter voorts aanleiding de kosten in deze procedure tussen hen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.14.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
vernietigt het door de voorzieningenrechter op 7 juli 2025 onder zaaknummer C/02/435618 /KG ZA 25-2383 gewezen verstekvonnis;
en opnieuw rechtdoende
5.2.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.