ECLI:NL:RBZWB:2026:1045
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verzet
- Baggel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot medewerking Iraanse religieuze echtscheiding wegens onduidelijkheid en onvoldoende spoedeisend belang
Partijen zijn in 2008 in Iran gehuwd en in 2017 door de Nederlandse rechter gescheiden. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder het verschijnen bij een geestelijke en inschrijving bij de Iraanse ambassade. De man werd bij verstek veroordeeld, maar stelde verzet in omdat het vonnis niet persoonlijk was betekend en hij het niet eens is met de vordering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzet tijdig en ontvankelijk is ingesteld. Inhoudelijk is onvoldoende duidelijk welke vorm van religieuze scheiding de vrouw verlangt, terwijl dit essentieel is vanwege de financiële en juridische gevolgen, zoals de bruidsgave. De man is bereid mee te werken aan een khul scheiding, maar niet aan andere vormen vanwege financiële belangen.
De rechtbank stelt dat nader onderzoek nodig is en dat een kort geding zich niet leent voor een dergelijke complexe beoordeling. Ook is het spoedeisend belang onvoldoende aangetoond, aangezien partijen al in 2018 gescheiden zijn en de vrouw haar situatie onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom worden de vorderingen van de vrouw afgewezen en worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot medewerking aan de Iraanse religieuze echtscheiding worden afgewezen wegens onduidelijkheid en onvoldoende spoedeisend belang.