Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.De vorderingen
Het belang van de vrouw en haar recht om niet meer in huwelijksgevangenschap gehouden te worden, dient zwaarder te wegen dan de belangen die worden gediend bij het niet toepassen van lijfsdwang. Zij heeft spoedeisend belang bij haar vordering. Zij wordt nu belemmerd in haar vrijheid om, onder andere, naar Iran af te reizen omdat er een gevaar bestaat dat de man haar een uitreisverbod zal opleggen of haar zal dwingen om te gehoorzamen wanneer zij in Iran is. Tevens kan zij geen officiële nieuwe partner hebben zolang zij gehuwd is met de man. Dit is zelfs strafbaar naar Iraans recht.
Gelet op de houding van de man is duidelijk dat een minder vergaand middel geen effect zal hebben.
Ten aanzien van de door de man aangevoerde verweren heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Eventuele betalingsonmacht aan de zijde van de man staat niet in de weg aan de onvoorwaardelijke medewerking waartoe de man is veroordeeld. Hij hoeft op dit moment namelijk nog niets te betalen. Met betrekking tot de verklaring ten aanzien van de bruidsgave ten overstaan van de geestelijke stelt de vrouw dat partijen moeten verklaren dat de bruidsgave nog verschuldigd is. Als de vrouw te zijner tijd haar recht geldend wil maken, kan de man desgewenst daartegen opkomen of compensatie vragen. Alle overige door de man gevoerde verweren zijn al in de bodemprocedure aan de orde geweest (en gepasseerd) of had hij daar naar voren moeten brengen. Er ligt nu een vonnis dat de man dient na te komen.
De man concludeert dat de gevorderde lijfsdwang een feitelijke en juridische grondslag ontbeert, niet voldoet aan de vereiste belangenafweging ex artikel 587 van Pro het wetboek van Rechtsvordering (Rv) en dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
4.De beoordeling
De man heeft ondanks het verbeuren van dwangsommen niet zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking verleend: hij is namelijk wel verschenen bij een geestelijke maar heeft aan zijn medewerking de voorwaarde gesteld dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave, terwijl de rechtbank en het hof in voormeld vonnis en arrest hebben overwogen dat de man die voorwaarde niet aan het verlenen van zijn medewerking kan stellen. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat de man een beroep heeft gedaan op het zijn van christen als reden om zijn medewerking te weigeren.
Het hof merkt daarbij nog op dat thans niet aan de orde is of de vrouw daadwerkelijk een vordering heeft op de man vanwege de in de huwelijksakte opgenomen bruidsgave en/of aan deze vordering beperkingen dienen te worden gesteld.” Bovendien heeft de vrouw verklaard dat zij op de bruidsgave op dit moment nog geen aanspraak maakt en dat zij haar recht (mogelijk) later te gelde gaat maken.
ofdat 2) verklaard moet worden dat de vrouw (deels) van de bruidsgave afziet
ofdat 3) verklaard moet worden dat het recht op de bruidsgave bestaat of is voldaan. Partijen zijn het oneens over hoe die opgave dient te luiden. De vrouw meent dat de man de bruidsgave nog is verschuldigd en dat de opgave dient te zijn: “
nog verschuldigd”. Gelet op de volledige en onvoorwaardelijke medewerking waartoe de man is veroordeeld, dient hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter de vrouw, haar daarin te volgen. De man betwist dat de bruidsgave nog verschuldigd is en stelt dat onduidelijk is wat ten overstaan van de geestelijke verklaard moet worden.