ECLI:NL:RBZWB:2026:1047

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/02/442241 KG ZA 25-624
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 586 RvArt. 587 RvArt. 588 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering lijfsdwang voor medewerking Iraanse religieuze echtscheiding

Partijen zijn in 2004 in Iran gehuwd en in 2018 in Nederland gescheiden volgens Nederlands recht, maar volgens Iraans recht nog gehuwd. De man is bij vonnis veroordeeld tot volledige medewerking aan de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder het verschijnen bij een geestelijke en inschrijving bij de Iraanse ambassade, onder verbeurte van dwangsommen. Dit vonnis is bekrachtigd door het hof.

De vrouw vordert in kort geding lijfsdwang tegen de man omdat hij niet meewerkt aan de religieuze echtscheiding. De man voert aan dat hij niet hoeft mee te werken vanwege zijn christelijke geloof en financiële onmogelijkheid om de bruidsgave te voldoen. Ook stelt hij dat de vrouw niet afhankelijk is van zijn medewerking voor registratie van de scheiding.

De voorzieningenrechter overweegt dat lijfsdwang een ultimum remedium is en dat onduidelijk is wat precies van de man wordt verlangd omtrent de opgave van de bruidsgave. Gezien de mogelijke financiële gevolgen en het ontbreken van duidelijkheid over de inhoud van de medewerking, weegt het belang van de man zwaarder. De vordering wordt afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot lijfsdwang wordt afgewezen vanwege onduidelijkheid over de medewerking en de ingrijpende gevolgen van vrijheidsbeneming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/442241 KG ZA 25-624
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 december 2025 met producties;
- de door mr. Hashem Jawaheri op 30 december 2025 ingediende productie;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de zitting op 8 januari 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, waarbij mr. Hashem Jawaheri via een Teams-verbinding aanwezig was.
Voor de vrouw en voor de man waren tevens tolken aanwezig.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2004 te [plaats 3] , Iran, met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van [datum 2] 2018 is tussen partijen, op gemeenschappelijk verzoek, de echtscheiding uitgesproken.
Deze echtscheidingsbeschikking is op [datum 3] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn naar Iraans recht tot op heden nog met elkaar gehuwd.
2.2.
Bij vonnis van deze rechtbank van 14 augustus 2024 is de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met een geestelijke en het laten inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag of dagdeel dat de man weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 20.000,=.
Dit vonnis is door de deurwaarder op 20 augustus 2024 aan de man betekend.
2.3.
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 september 2025 is het vonnis van 14 augustus 2024 bekrachtigd. Dit arrest is door de deurwaarder op 8 oktober 2025 aan de man betekend.

3.De vorderingen

3.1.
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de man te veroordelen:
1. dat zolang de man niet voldoet aan de veroordelingen als genoemd in 4.1 van het
dictum van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 augustus 2024, de tenuitvoerlegging van het vonnis bij lijfsdwang toe te staan, met lijfsdwang voor een periode van één jaar;
2. in de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven
dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover
vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Na voormeld vonnis en arrest heeft de vrouw de man meerdere malen verzocht om zijn medewerking te verlenen aan de Iraanse scheiding. De man heeft aanvankelijk getracht op slinkse wijze zijn medewerking niet te verlenen, zoals blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen. De man heeft zich op het standpunt gesteld bij de geestelijke dat partijen christen zijn en het daarom niet mogelijk is om Islamitisch te scheiden. Aangenomen moet worden dat de man zijn medewerking nog steeds weigert; hij heeft het eerdere vonnis niet nageleefd. De vrouw heeft zelfs het arrest van het hof nog afgewacht om te bezien of de man daarna in beweging zou komen, maar ook dat is niet gebeurd. De opgelegde dwangsommen hebben de man evenmin tot nakoming bewogen.
Het belang van de vrouw en haar recht om niet meer in huwelijksgevangenschap gehouden te worden, dient zwaarder te wegen dan de belangen die worden gediend bij het niet toepassen van lijfsdwang. Zij heeft spoedeisend belang bij haar vordering. Zij wordt nu belemmerd in haar vrijheid om, onder andere, naar Iran af te reizen omdat er een gevaar bestaat dat de man haar een uitreisverbod zal opleggen of haar zal dwingen om te gehoorzamen wanneer zij in Iran is. Tevens kan zij geen officiële nieuwe partner hebben zolang zij gehuwd is met de man. Dit is zelfs strafbaar naar Iraans recht.
Gelet op de houding van de man is duidelijk dat een minder vergaand middel geen effect zal hebben.
Ten aanzien van de door de man aangevoerde verweren heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Eventuele betalingsonmacht aan de zijde van de man staat niet in de weg aan de onvoorwaardelijke medewerking waartoe de man is veroordeeld. Hij hoeft op dit moment namelijk nog niets te betalen. Met betrekking tot de verklaring ten aanzien van de bruidsgave ten overstaan van de geestelijke stelt de vrouw dat partijen moeten verklaren dat de bruidsgave nog verschuldigd is. Als de vrouw te zijner tijd haar recht geldend wil maken, kan de man desgewenst daartegen opkomen of compensatie vragen. Alle overige door de man gevoerde verweren zijn al in de bodemprocedure aan de orde geweest (en gepasseerd) of had hij daar naar voren moeten brengen. Er ligt nu een vonnis dat de man dient na te komen.
3.3.
De man voert samengevat het volgende verweer tegen de vorderingen van de vrouw. De vrouw is voor het verkrijgen en registreren van een Iraanse scheiding niet afhankelijk van zijn medewerking. Uit officiële informatie van de Iraanse ambassade in Nederland volgt dat voor Iraanse onderdanen die in Nederland wonen en beschikken over een definitief Nederlands echtscheidingsvonnis een procedure bestaat voor eenzijdige registratie, waardoor de noodzaak voor een ingrijpende maatregel als lijfsdwang ontbreekt. Voorts verwijst de man naar een door hem overgelegd bericht van de aangezochte [naam], die stelt dat partijen gelijkluidend moeten verklaren over de condities van de religieuze scheiding. De door de vrouw gevorderde vorm van scheiding vereist namelijk dat op een formulier ten overstaan van de geestelijke wordt ingevuld: ofwel dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave, ofwel dat de bruidsgave is voldaan, ofwel welke overeenstemming partijen hebben over de bruidsgave. Het is de man niet duidelijk wat hij daar moet invullen. De vrouw is immers niet akkoord met afstand, de bruidsgave is niet voldaan en er is ook geen overeenstemming over. De vrouw wil opgenomen zien dat de man 1000 goudstukken moet betalen en de man niet. Indien hij actief meewerkt aan de door de vrouw geïnitieerde manier van scheiden in Iran dient hij 1000 goudstukken af te geven, de bruidsgave die gekoppeld is aan het religieuze huwelijk. Dit is ruim één miljoen euro. De man beschikt daar niet over; hij geniet slechts een uitkering. Het afdwingen van zijn medewerking aan de religieuze scheiding met dergelijke verstrekkende financiële consequenties is onredelijk. Daarbij komt dat partijen de islam inmiddels hebben verlaten en thans christen zijn. Van de man kan niet worden verlangd dat hij vanuit religieus oogpunt actief meewerkt aan een islamitische religieuze handeling die haaks staat op zijn huidige geloofsovertuiging. Het door de vrouw gestelde gevoel van huwelijksgevangenschap wordt tot slot onvoldoende ondersteund door concrete nadelen, vooral nu zij sinds 2018 naar Nederlands recht gescheiden is en geen aantoonbare feitelijke banden meer onderhoudt met Iran.
De man concludeert dat de gevorderde lijfsdwang een feitelijke en juridische grondslag ontbeert, niet voldoet aan de vereiste belangenafweging ex artikel 587 van Pro het wetboek van Rechtsvordering (Rv) en dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
3.4.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om het geschil te behandelen omdat partijen in Nederland hun woonplaats hebben. Hierbij is Nederlands recht van toepassing.
4.2.
Omdat het vonnis van 14 augustus 2024 niet uitvoerbaar bij lijfsdwang is verklaard, kan de voorzieningenrechter krachtens artikel 586 Rv Pro alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis bij lijfsdwang toestaan. Nu de bevoegdheid van de voorzieningenrechter expliciet in genoemd artikel als bijzondere wettelijke regeling voor de onderhavige procedure is neergelegd, is een spoedeisend belang van de vrouw bij het gevorderde niet vereist.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat de tenuitvoerlegging door toepassing van lijfsdwang slechts mogelijk is als in de eerste plaats aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden (artikel 587 Rv Pro). Het is – gelet op de ingrijpende gevolgen voor de schuldenaar, namelijk vrijheidsbeneming – een ultimum remedium en kan dus slechts worden opgelegd als uiterste middel. Ingevolge artikel 588 Rv Pro legt de rechter geen lijfsdwang op als de schuldenaar niet in staat is om aan de verplichting waarvoor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt verlangd te voldoen. Ten tweede dient het belang van de schuldeiser bij oplegging van lijfsdwang te worden afgewogen tegen het belang van de schuldenaar bij de niet-toepassing daarvan (artikel 587 Rv Pro). Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld met inachtneming van de betrokken belangen.
4.4.
De voorzieningenrechter zal hierna dan ook voor de verplichting waarop de vordering van de vrouw betrekking heeft, beoordelen of het vonnis waarbij die verplichting is opgelegd, uitvoerbaar bij lijfsdwang behoort te worden verklaard.
4.5.
In voornoemd vonnis heeft de rechtbank de man veroordeeld om zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met een geestelijke en het laten inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage.
De man heeft ondanks het verbeuren van dwangsommen niet zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking verleend: hij is namelijk wel verschenen bij een geestelijke maar heeft aan zijn medewerking de voorwaarde gesteld dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave, terwijl de rechtbank en het hof in voormeld vonnis en arrest hebben overwogen dat de man die voorwaarde niet aan het verlenen van zijn medewerking kan stellen. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat de man een beroep heeft gedaan op het zijn van christen als reden om zijn medewerking te weigeren.
4.6.
De omstandigheid dat de vrouw, zoals de man thans aanvoert, niet van hem afhankelijk is om de Iraanse echtscheiding te realiseren, doet niets af aan de veroordeling die is uitgesproken. Bovendien had de man dit verweer in beginsel kunnen en moeten voeren in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid en kan hij dit geding niet met succes benutten als een verkapt rechtsmiddel tegen de veroordeling. Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat van hem als christen de gevorderde medewerking niet kan worden verlangd en dat de vrouw geen concrete nadelen heeft genoemd met betrekking tot de huwelijkse gevangenschap. Aan deze verweren gaat de voorzieningenrechter dan ook voorbij.
4.7.
Aan het door de man in het kader van de belangenafweging gevoerde verweer van betalingsonmacht gaat de voorzieningenrechter eveneens voorbij. Betaling van de bruidsgave is immers op dit moment niet aan de orde; de veroordeling ziet (enkel) op de ontbinding van het religieuze huwelijk. Zo heeft het hof in r.o. 8.18. overwogen: “
Het hof merkt daarbij nog op dat thans niet aan de orde is of de vrouw daadwerkelijk een vordering heeft op de man vanwege de in de huwelijksakte opgenomen bruidsgave en/of aan deze vordering beperkingen dienen te worden gesteld.” Bovendien heeft de vrouw verklaard dat zij op de bruidsgave op dit moment nog geen aanspraak maakt en dat zij haar recht (mogelijk) later te gelde gaat maken.
4.8.
Tot slot heeft de man aangevoerd dat lijfsdwang niet aan de orde kan zijn nu onduidelijk is wat van hem in het kader van het verlenen van zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking wordt verwacht als het gaat om de verplichte opgave omtrent de status van de bruidsgave.
4.9.
Gebleken is dat in dit verband tussen partijen vast staat dat ten overstaan van de geestelijke opgave dient te worden gedaan omtrent de status van de bruidsgave. Zij zijn het er over eens dat 1) partijen daarover onderhandeld moeten hebben (overeenstemming)
ofdat 2) verklaard moet worden dat de vrouw (deels) van de bruidsgave afziet
ofdat 3) verklaard moet worden dat het recht op de bruidsgave bestaat of is voldaan. Partijen zijn het oneens over hoe die opgave dient te luiden. De vrouw meent dat de man de bruidsgave nog is verschuldigd en dat de opgave dient te zijn: “
nog verschuldigd”. Gelet op de volledige en onvoorwaardelijke medewerking waartoe de man is veroordeeld, dient hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter de vrouw, haar daarin te volgen. De man betwist dat de bruidsgave nog verschuldigd is en stelt dat onduidelijk is wat ten overstaan van de geestelijke verklaard moet worden.
4.10.
De vrouw voert in dit verband verder aan dat over de daadwerkelijke verschuldigdheid van de bruidsgave in een latere procedure kan worden beslist, waarbij de man alsnog al zijn verweren kan voeren; nu gaat het enkel om de ontbinding van het religieuze huwelijk. De man behoudt volgens de vrouw ook zijn eventuele recht op compensatie. De man betwist deze stelling van de vrouw en stelt dat de door de vrouw gewenste opgave en door haar gewenste vorm van ontbinding van het religieuze huwelijk een erkenning van de verschuldigdheid van de bruidsgave inhoudt waarmee hij rechten prijsgeeft en waardoor hij met onomkeerbare financiële gevolgen geconfronteerd wordt.
4.11.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vast staat dat over de verschuldigdheid van de bruidsgave en/of eventuele beperkingen daarop nog niet is beslist (vgl r.o. 8.18. van voormeld arrest). Op basis van het vonnis van de rechtbank - en de bekrachtiging daarvan door het hof – volgt dat op dat onderdeel enkel is beslist dat de man aan zijn medewerking niet de voorwaarde mag stellen dat de vrouw afstand doet van de bruidsgave. Niet staat daarin wat terzake de opgave omtrent de status van de bruidsgave wèl van hem wordt verwacht. Dat de man in het kader van het verlenen van zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking gehouden zou zijn op te geven dat de bruidsgave is verschuldigd, acht de voorzieningenrechter niet vanzelfsprekend, nu zich dat immers niet verhoudt met de vaststelling van het hof dat een oordeel over de bruidsgave in die procedure niet aan de orde was. Ook is niet gesteld of gebleken dat over de bruidsgave anderszins al is beslist. Bij het voorgaande neemt de voorzieningenrechter verder in aanmerking dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man ten overstaan van de geestelijke over de status daarvan kan verklaren: “nog verschuldigd” zonder dat hij ten aanzien van de verschuldigdheid van de bruidsgave rechten en weren prijsgeeft. De man heeft deze stelling immers gemotiveerd betwist en de vrouw heeft geen nadere toelichting of onderbouwing gegeven. Voor nader onderzoek daarnaar is in het kader van een procedure als de onderhavige, een kort geding, geen plaats.
4.12.
Het voorgaande betekent dat onduidelijk is wat van de man dient te worden verlangd in het kader van de opgave omtrent de status van de bruidsgave en dat ook onduidelijkheid bestaat omtrent de eventuele financiële consequenties van de door de vrouw voorgestane verklaring in verband met de (mogelijke) gevolgen daarvan voor de (bewijs)positie van de man in een latere procedure over de bruidsgave. In aanmerking nemende deze omstandigheden en gelet op de ingrijpende gevolgen van toewijzing, te weten vrijheidsbeneming, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging dient uit te vallen in het voordeel van de man. De vordering van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
4.13.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Pas nu, in deze procedure, komt voor het eerst expliciet naar voren dat de gevorderde medewerking van de man (kennelijk) ook omvat het doen van opgave omtrent de status van de bruidsgave en komen de mogelijke (financiële) consequenties daarvan in verband met de (bewijs)positie van de man in een volgende procedure aan bod. Dat is eerder niet ter sprake gebracht. Het had op de weg van de vrouw gelegen dit al in haar dagvaarding te vermelden en haar vordering concreet te maken, zodat daarover eerder het debat had kunnen worden gevoerd. Dat is niet gebeurd. Ook is geen debat gevoerd over welke vorm van scheiding de vrouw voorstaat, terwijl duidelijk is geworden dat er diverse vormen zijn die op hun beurt mogelijk verschillende financiële gevolgen (voor de bruidsgave) hebben. Voor zover voor een dergelijk debat in het kader van onderhavige procedure ruimte was, is ook ter zitting op 8 januari 2026 een en ander voorshands onvoldoende komen vast te staan.
4.14.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.