ECLI:NL:RBZWB:2026:1048
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- Baggel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering lijfsdwang bij Iraanse religieuze echtscheiding
Partijen zijn in 2008 in Iran gehuwd en in 2017 door de Nederlandse rechtbank gescheiden, maar volgens Islamitisch recht zijn zij nog gehuwd. De vrouw vorderde in kort geding dat de man medewerking zou verlenen aan de Iraanse religieuze echtscheiding, met dwangsommen en lijfsdwang bij niet-nakoming. Een eerder vonnis van 7 juli 2025 legde de man deze verplichtingen op, maar hij kwam hiertegen in verzet.
In de onderhavige procedure vordert de vrouw lijfsdwang om de man alsnog tot medewerking te dwingen, omdat de dwangsommen onvoldoende effect zouden hebben gehad. De man verzet zich hiertegen en vordert tevens schorsing van het eerdere verstekvonnis.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het eerdere vonnis, waarvan tenuitvoerlegging met lijfsdwang wordt gevorderd, is vernietigd in een andere procedure en dat de oorspronkelijke vorderingen van de vrouw opnieuw zijn afgewezen. Hierdoor is de vordering tot lijfsdwang niet toewijsbaar. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot lijfsdwang wordt afgewezen omdat het eerdere vonnis is vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen opnieuw zijn afgewezen.