Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Frankrijk), belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
’s-Hertogenbosch. [4] De inspecteur stelt dat het verzoek om ambtshalve vermindering onderdeel uitmaakt van het hoger beroep. Het is volgens de inspecteur niet mogelijk een verzoek te doen om ambtshalve vermindering zolang de uitspraak van de rechtbank (nog) niet onherroepelijk vaststaat.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen wegens het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 en de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de heffingsambtenaar op binnen vier weken na de dag van verzending van deze alsnog een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 bekend te maken;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 24,80 aan proceskosten aan belanghebbende.
mr.W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.