ECLI:NL:RBZWB:2026:1058

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/507
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanslag inkomstenbelasting 2021

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2021. De inspecteur had de aanslag opgelegd met een verzuimboete van €5.514,-, welke volledig is verminderd in de uitspraak op bezwaar van 11 december 2024. Hierdoor resteert geen te betalen bedrag meer voor belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een financieel of juridisch belang, omdat het beroep geen gunstiger resultaat kan opleveren. Tevens is de rechtbank onbevoegd om te oordelen over geschillen betreffende de aangekondigde verrekening, aangezien dergelijke besluiten onder de Invorderingswet vallen en niet onder de uitzonderingen waarvoor de belastingrechter bevoegd is.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en handhaaft het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken na bekendmaking een verzetschrift indienen indien zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de rechtbank is onbevoegd voor geschillen over verrekening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 december 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat belanghebbende door de vermindering van de aanslag geen financieel of juridisch belang heeft. De inspecteur is met de uitspraak op bezwaar volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende, omdat de verzuimboete volledig is verminderd. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag, omdat dit een niet onderbouwd en wellicht automatisch gegenereerd bericht is dat hij van de inspecteur ontvangt.
2.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 augustus 2024 een aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. Het bedrag van de aanslag is nihil en de verzuimboete bedraagt € 5.514,-. In de uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd met € 5.514,-. Dit betekent dat belanghebbende voor deze aanslag geen te betalen bedrag heeft en dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. [1] Dit betekent dat er geen procesbelang meer is.
2.2.
De rechtbank verklaart daarom het door belanghebbende ingestelde beroep wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3.
Voor zover belanghebbende het niet eens is met de aangekondigde verrekening is de rechtbank onbevoegd. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet. [2] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.
2.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.