ECLI:NL:RBZWB:2026:1060

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6344
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:7 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26 AWRparagraaf 4.2.3.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank onbevoegd bij beroep tegen ingebrekestelling en dwangsombesluit belastingaanslag

Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig opleggen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2023 en verzocht om een dwangsom toe te kennen. De inspecteur wees dit verzoek af omdat het geen beschikking op aanvraag betrof.

Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland, die zich onbevoegd verklaarde omdat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over ingebrekestellingen of dwangsombeschikkingen die betrekking hebben op ambtshalve beschikkingen. Na een verzet-uitspraak werd het beroep doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigt haar onbevoegdheid op grond van artikel 26 AWR Pro en artikel 8:1 Awb Pro, omdat het beroep ziet op een ambtshalve beschikking en niet op een beschikking op aanvraag. De rechtbank geeft geen inhoudelijk oordeel en wijst erop dat belanghebbende zich tot de burgerlijk rechter kan wenden voor het verzoek om een dwangsom.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter Steijn en griffier Dekkers op 23 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de ingebrekestelling en het verzoek om een dwangsom bij het niet tijdig opleggen van de belastingaanslag IB/PVV 2023.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6344

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2023 gedaan. Bij brief van 8 januari 2025 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig opleggen van de aanslag IB/PVV 2023. Belanghebbende heeft de inspecteur in die brief verder gevraagd om een dwangsom toe te kennen op grond van de dwangsomregeling.
1.1.
De inspecteur heeft bij brief van 14 januari 2025 aan belanghebbende
meegedeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom, omdat er geen
sprake is van een beschikking op aanvraag.
1.2.
Belanghebbende heeft op 28 januari 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland heeft op 6 maart 2025 geoordeeld dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, omdat geen beroep bij de belastingrechter openstaat tegen een ingebrekestelling of dwangsombeschikking die betrekking heeft op een ambtshalve beschikking. Naar aanleiding van de verzet-uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 december 2025 is het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, omdat deze rechtbank op grond van artikel 8:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bevoegd is het beroepschrift te behandelen.
1.3.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om het beroep te
behandelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
In artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat
in afwijking van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep bij de belastingrechter slechts openstaat in
bepaalde gevallen. Het moet gaan om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
2.2.
De rechtbank Gelderland heeft terecht overwogen dat een belastingaanslag geen beschikking op aanvraag is. maar een ambtshalve beschikking. Daardoor is de dwangsomregeling van paragraaf 4.2.3.2. van de Awb niet van toepassing. [1] De ingebrekestelling van belanghebbende heeft dus geen betrekking op een beschikking op aanvraag, zodat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over het al dan niet tijdig opleggen van de belastingaanslag IB/PVV 2023.
2.3.
De rechtbank Gelderland heeft ook terecht overwogen dat de belastingrechter niet bevoegd is te oordelen over de beslissing van de inspecteur van 14 januari 2025. De belastingrechter is namelijk alleen bevoegd om te oordelen over een dwangsombeschikking als die betrekking heeft op een beschikking op aanvraag. [2] De ingebrekestelling van belanghebbende en het verzoek om een dwangsom vast te stellen hebben geen betrekking op een beschikking op aanvraag, maar op een ambtshalve beschikking, zodat de belastingrechter ook niet bevoegd is om te oordelen over de beslissing van 14 januari 2025.
2.4.
Belanghebbende kan zich met zijn verzoek om een dwangsom vast te stellen tot de burgerlijk rechter wenden.

Conclusie en gevolgen

3. De rechtbank is onbevoegd. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel geeft in deze zaak. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van het eventueel betaalde griffierecht.

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.MvA. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,21 221, nr. 5, blz. 66.
2.Hoge Raad, 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:1797, r.o. 4.2.3. en Hoge Raad, 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134. r.o. 3.2.6.