ECLI:NL:RBZWB:2026:107

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/5355
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-beschikking en aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking en de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing behandeld. Het beroep is ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 februari 2024. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en dat de ingebrekestelling van belanghebbende prematuur was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar op 8 maart 2023 het bezwaarschrift heeft ontvangen en dat de beslistermijn op 21 december 2023 met zes weken is verdaagd. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 22 januari 2024 in gebreke gesteld, maar op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Hierdoor heeft de rechtbank geoordeeld dat de ingebrekestelling niet op tijd was en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 februari 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking voor het object [adres] en gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 8 maart 2023 ontvangen en op 21 december 2023 de beslistermijn met zes weken verdaagd.
2.1.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 22 januari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 22 februari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
2.3.
Belanghebbende heeft op 14 mei 2024 de heffingsambtenaar een herinnering gestuurd, omdat zij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen.
2.4.
Belanghebbende heeft op 28 juni 2024 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig)
nemen van een uitspraak op bezwaar.
2.5.
Belanghebbende heeft de rechtbank op 24 maart 2025 laten weten dat zij pas een kopie van de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen bij het verweerschrift, ontvangen op 19 februari 2025. Belanghebbende verzoekt om een dwangsom.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank zal eerst de vraag beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende recht heeft op een dwangsom.
Is het beroep ontvankelijk?
3.1.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Tenzij de uitspraak op bezwaar pas later bekend is gemaakt, dan begint de termijn op de dag na die van de bekendmaking. [2] Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk.
3.2.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 22 februari 2024 is. Gemachtigde stelt dat hij pas op 19 februari 2025 bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar en dat de beroepstermijn toen pas is gaan lopen. De griffier heeft de heffingsambtenaar op 9 april 2025 en 28 april 2025 verzocht om te reageren op het standpunt van gemachtigde.
3.3.
Wanneer belanghebbende betwist de uitspraak op bezwaar (tijdig) te hebben ontvangen, dan moet ervan worden uitgegaan dat hierin besloten ligt de betwisting van de (tijdige) verzending van dat besluit. Omdat belanghebbende de verzending van de uitspraak op bezwaar betwist, dient de heffingsambtenaar die verzending aannemelijk te maken. [4] Daartoe zal de heffingsambtenaar mede aannemelijk moeten maken dat, en aan welk, postvervoersbedrijf het desbetreffende stuk is aangeboden. [5] De heffingsambtenaar heeft de verzending van de uitspraak op bezwaar niet aannemelijk gemaakt. Het beroep is ontvankelijk.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
4. De gronden van het beroep richten zich alleen op het verzoek om een dwangsom. Voor het overige is de uitspraak op bezwaar niet in geschil. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 8 maart 2023. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. [6] Bij brief van 21 december 2023 heeft de heffingsambtenaar de beslistermijn verdaagd met zes weken. [7] De beslistermijn eindigde daarmee op 11 februari 2024. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 22 januari 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1004.
5.Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41.
6.Dit staat in artikel 236 van de Gemeentewet.
7.Artikel 7:10, derde lid van de Awb maakt dit mogelijk.