ECLI:NL:RBZWB:2026:107
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering dwangsom na WOZ-beschikking en aanslagen onroerendezaakbelasting
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de WOZ-beschikking en gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing. Het geschil richt zich uitsluitend op het verzoek om een dwangsom wegens vermeende te late uitspraak op bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar tijdig aan belanghebbende is verzonden. De beroepstermijn begint daardoor pas bij de daadwerkelijke bekendmaking, die later plaatsvond.
Desondanks is de ingebrekestelling prematuur omdat de beslistermijn door de heffingsambtenaar met zes weken was verlengd en op het moment van ingebrekestelling nog niet was verstreken. Daarom bestaat geen recht op een dwangsom.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en handhaaft het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het verzoek om een dwangsom wordt ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was en de beslistermijn correct was verlengd.