ECLI:NL:RBZWB:2026:109

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25/248
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering aan eiser na ongeval en psychische problematiek

Deze uitspraak betreft de weigering van het UWV om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. Eiser, die werkzaam was als basisoperator B3, heeft een ongeval op de werkvloer gehad en later ook een auto-ongeluk, wat heeft geleid tot verschillende klachten, waaronder psychische problematiek. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 12 januari 2026, waarbij eiser niet aanwezig was, maar vertegenwoordigd werd door zijn gemachtigde, mr. L.L. Ross. De rechtbank heeft beoordeeld of het UWV terecht heeft geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV stelde dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wat betekent dat hij geen recht heeft op een uitkering. De rechtbank concludeert dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd, omdat eiser niet voldoende medische beperkingen heeft aangetoond die zijn arbeidsongeschiktheid zouden rechtvaardigen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser verworpen en het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/248

uitspraak van 12 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de toekenning van een WIA-uitkering aan eiser terecht heeft geweigerd.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als basisoperator B3 bij [werkgever] B.V. voor 38,74 uur per week. Voor dat werk is hij uitgevallen op 11 augustus 2021 vanwege een ongeval op de werkvloer op 16 mei 2021 waarbij zijn vinger door een machine was geraakt. Vervolgens heeft eiser op 10 september 2021 een auto-ongeluk gehad, waarna hij ook klachten aan zijn bovenlichaam kreeg. Daarnaast is bij eiser ook sprake van psychische problematiek. Bij de eerstejaarsziektewetbeoordeling werd bepaald dat eiser langer recht heeft op een Ziektewetuitkering. Vanwege de WIA-aanvraag werd eiser in oktober 2023 opnieuw gekeurd. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals hieronder opgenomen.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 5 december 2023 (primair besluit) geweigerd per 9 augustus 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer BRE 25/270. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser mr. L.L. Ross en [vertegenwoordiger] namens het UWV. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Het medisch onderzoek van het UWV
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De (primaire) arts heeft het dossier bestudeerd en eiser psychisch geobserveerd en lichamelijk onderzocht tijdens het spreekuur van 23 oktober 2023. De primaire arts heeft beperkingen aangenomen in de rubriek fysieke omgevingseisen (het vermijden van hitte en trillingsbelasting op de linkerhand), dynamisch handelen (frequent buigen, duwen en trekken, tillen of dragen, traplopen en klimmen) en statische houdingen (zitten, staan en gebogen actief zijn).
7.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en de door eiser in bezwaar ingebrachte medische informatie bij het onderzoek betrokken. Het gaat daarbij om brieven van physician assistant revalidatiegeneeskunde en een conclusie en beleid van de psychiatrie van het ETZ. De verzekeringsarts b&b heeft eiser ook psychisch geobserveerd en lichamelijk onderzocht tijdens een spreekuur op 22 oktober 2024. Net als de primaire arts concludeert hij dat eiser niet voldoet aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden, maar hij acht eiser wel meer beperkt dan de primaire arts.
7.3
Eiser heeft zenuwletsel aan de linker wijsvingertop, waarbij de motoriek nog intact is. Mogelijk is de sensibiliteit van de vingertop verstoord, maar er zijn geen argumenten voor beperkingen in kracht of beweeglijkheid. Door compensatie met de andere vingers blijft de handfunctie normaal. Verder heeft eiser chronische pijnklachten. Echter, op de MRI of bij het lichamelijk onderzoek zijn geen objectiveerbare afwijkingen (waaronder scheefstand van de rug) gevonden, behalve een licht afgevlakte lumbale lordose. Daarnaast heeft eiser tendomyogene klachten aan de rug en benen en kunnen de nek- en schouderklachten passen bij een whiplash associated disorder graad I of II.
De verzekeringsarts b&b concludeert dat enige fysieke belasting wel aan te raden is, maar neemt ook extra beperkingen aan op frequent reiken, boven schouderhoogte actief zijn en trillingsbelasting in zijn algemeenheid. De nek- en schouderklachten zijn namelijk onvoldoende meegewogen door de primaire arts. Daarnaast is er ook sprake van een verhoogd persoonlijk risico door gebruik van Gabapentine waardoor ook hiervoor een aanvullende beperking in de FML wordt opgenomen. Het beroepsmatig besturen wordt echter wel mogelijk geacht. Bij eiser is ook sprake van verminderde mentale belastbaarheid, waardoor taken met een hoge tempo- of tijdsdruk en sociaal-emotionele belasting moeten worden beperkt in de FML. Tot slot is volgens de verzekeringsarts b&b terecht geen urenbeperking vastgesteld. Uit de dagverhalen blijkt dat sprake is van een inadequaat dag-nachtritme en is overdag sprake van een minimale daginvulling. Door het aanbrengen van meer daginvulling en het consequent toepassen van een regulier dag-nachtritme met een adequate slaaphygiëne mag verwacht worden dat dit zal kunnen leiden tot een normaal slaap-waakritme, waardoor in de toekomst werken in nacht- en late avonddiensten mogelijk is.
7.4
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 november 2024.
Het standpunt van eiser
8. Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat er te weinig beperkingen zijn opgenomen vanwege een onvolledige vinger- en handfunctie, rugklachten en psychische problematiek. Ter zitting is de beroepsgrond dat het gebruik van Gabapentine tot meer beperkingen moet leiden ingetrokken.
8.1
Eiser stelt dat juist doordat met andere vingers gecompenseerd moet worden de handfunctie niet volledig is. Doordat de sensibiliteit is verstoord, heeft eiser weinig grip en gevoel in zijn vinger. Hij laat hierdoor zaken vaak los en/of vallen. Daarnaast voert eiser aan dat wel degelijk sprake is van rugklachten als gevolg van scheeftstand en niet alleen door tendomyogene klachten. Hij dient in ieder geval meer beperkt geacht te worden op het aspect torderen en aspecten waarbij zware fysieke belasting noodzakelijk is. Ter onderbouwing overlegt eiser een medisch verslag van het ziekenhuis in Qatar van april 2025. De verzekeringsarts b&b voert aan dat zwaardere fysieke belasting in zijn algemeenheid af te raden is en dat daar in de FML in voldoende mate aan is tegemoet gekomen net als aan de rugklachten. Volgens eiser is deze motivering niet afdoende en moet dit nader onderbouwd worden. Ook claimt eiser (meer) cognitieve klachten. Op basis van het CBBS worden veel beperkingen gebaseerd op de aandoening van een depressie. Aangezien eiser bekend is met een lichte depressie, moet hij meer beperkt worden op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren (rubriek 1 en 2).
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
9. Eiser heeft ten eerste tegen het medische oordeel van het UWV aangevoerd dat zijn handfunctie niet volledig is. Eiser heeft niet (voldoende) onderbouwd en bovendien geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij hierin meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen.
9.1
Met betrekking tot de rugklachten heeft eiser nadere medische informatie overgelegd, namelijk een verslag van het bezoek van eiser aan het ziekenhuis in Qatar. Het UWV heeft deze informatie niet voorgelegd aan de verzekeringsarts b&b, omdat het stuk (van 14 april 2025) dateert van na de datum in geding (9 augustus 2023). Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de datum hier niet bepalend is, omdat uit de medische informatie blijkt dat het gaat om een aangeboren aandoening (scoliose) die dus ook ten tijde van de datum in geding aanwezig was. De rechtbank acht de stelling van eiser onvoldoende onderbouwd. Niet van belang is welke aandoening eiser heeft, maar welke beperkingen daaruit voortvloeien. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat eiser meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen. Er zijn immers al beperkingen ten aanzien van buigen, tillen, duwen, trekken, reiken, dragen, traplopen, klimmen, zitten, gedraaid werken en staan aangenomen. Het is niet duidelijk waarom door deze zeer milde vorm van scoliose (van ongeveer vier graden) er door het UWV extra beperkingen aangenomen hadden moeten worden.
9.2
Tot slot stelt eiser dat hij vanwege zijn psychische problematiek meer beperkt geacht moet worden. Echter, de verzekeringsarts b&b heeft hier in zijn beoordeling al rekening mee gehouden en hiervoor beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom hij meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen.
9.3
Verder merkt de rechtbank op dat de enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts b&b de door eiser ervaren klachten op een andere manier heeft gewogen dan dat hij die ervaart, niet betekent dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. De beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de medische beoordeling slagen dus niet.
9.4
Nu niet is gebleken dat de beperkingen van eiser in de FML van 21 november 2024 zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid zoals die daarin is neergelegd.
Beoordeling van het arbeidsdeskundige onderzoek van het UWV
10. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het arbeidsdeskundige onderzoek van het UWV en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functie en gaat uit van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.