ECLI:NL:RBZWB:2026:1104

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 22/4091
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na vernietiging naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag BPM. De inspecteur had de naheffingsaanslag vernietigd nadat belanghebbende alsnog de gevraagde stukken had overgelegd.

De rechtbank beoordeelt of de inspecteur aan het beroepschrift is tegemoetgekomen en of sprake is van een verwijtbare onrechtmatigheid. De inspecteur handelde op basis van de beschikbare gegevens en de onjuistheid in de naheffingsaanslag is toe te rekenen aan het late overleggen van bewijs door belanghebbende.

Daarom is er geen grond voor een proceskostenvergoeding. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen verwijtbare onrechtmatigheid aan de zijde van de inspecteur is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4091
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet toekennen van een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
1.1.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een kostenvergoeding, omdat niet gesproken kan worden van een verwijtbare onrechtmatigheid van het bestuursorgaan.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan het beroepschrift van belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend inzake de naheffingsaanslag BPM. Deze naheffingsaanslag is volgens belanghebbende opgelegd met de onjuiste gegevens.
4.2.
De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag vernietigd. Het overleggen van de door de inspecteur gevraagde stukken gaf de grondslag voor vernietiging van deze aanslag. De inspecteur stelt dat voor een kostenvergoeding in bezwaarfase geen aanleiding bestaat, omdat hier geen sprake is van een verwijtbare onrechtmatigheid aan de zijde van de inspecteur. De inspecteur heeft gehandeld op basis van de beschikbare gegevens. Als belanghebbende in de bezwaarfase de gevraagde stukken overgelegd had, valt de onjuistheid in de naheffingsaanslag niet toe te rekenen aan de inspecteur.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet tegemoetgekomen is aan het beroepschrift van belanghebbende. Belanghebbende heeft beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep ziet enkel op de proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase. Aan dit beroep is dus niet verder tegemoetgekomen. Hiermee is de inspecteur niet tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.
Bestaat een aanleiding voor een veroordeling van de inspecteur in een kostenvergoeding voor de bezwaarfase?
5. De rechtbank oordeelt dat voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase geen aanleiding bestaat, omdat de vernietiging van de naheffingsaanslag niet toe te rekenen is aan een onrechtmatigheid aan de zijde van de inspecteur. Belanghebbende heeft zelf het bewijsstuk (te laat) overgelegd. De inspecteur heeft in de kennisgeving aangegeven dat hij uitgaat van de berekening van RDW, omdat het Certificaat van Overeenstemming (CVO) niet is overgelegd. Op het moment dat het Certificaat van Overeenstemming pas later – na het indienen van het bezwaarschrift – is overgelegd, was de vernietiging van de naheffingsaanslag niet te wijten aan een toerekenbare onrechtmatigheid aan de zijde van de inspecteur. De rechtbank wijst daarmee het verzoek om een kostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).