ECLI:NL:RBZWB:2026:111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5842
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar inzake aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende beoordeeld, die stelt dat de inspecteur van de Belastingdienst niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2023. Het bezwaar was ingediend op 4 mei 2025, maar de inspecteur heeft pas op 28 november 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en kent belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist, wat de ontvankelijkheid en gegrondheid van het beroep bevestigt. De rechtbank legt uit dat als een bestuursorgaan niet op tijd beslist, de betrokkene in beroep kan gaan, mits er een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. In dit geval heeft belanghebbende de inspecteur op 8 september 2025 in gebreke gesteld, waarna de rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is.

De rechtbank bepaalt dat de inspecteur de dwangsom moet betalen, omdat deze niet tijdig heeft beslist. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op basis van de regels in de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de maximale dwangsom van € 1.442,- is toegewezen. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond is, omdat belanghebbende geen gronden heeft aangevoerd tegen deze beslissing. De rechtbank beveelt de inspecteur om het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende te vergoeden, aangezien er geen proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5842

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar met dagtekening 4 mei 2025 over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2023 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.36.01.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond?
3. Belanghebbende heeft met dagtekening 4 mei 2025, ontvangen door de inspecteur op 8 mei 2025, bezwaar gemaakt. De inspecteur moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [2] De inspecteur had dus uiterlijk op 26 juli 2025 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de inspecteur op 8 september 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van beroep op 28 november 2025 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Belanghebbende heeft het beroep niet ingetrokken, maar ook geen gronden tegen deze beslissing aangevoerd. Belanghebbende heeft aangegeven dat er geen proceskosten zijn en verzoekt om de inspecteur op te dragen het griffierecht te vergoeden.
3.2.
Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Echter, in dit geval blijft belang bij het beroep bestaan omdat de inspecteur de dwangsom nog niet heeft vastgesteld. Omdat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep kennelijk gegrond.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
4. De inspecteur heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025. De rechtbank doet dit daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.
4.1.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.
Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit ontvankelijk en gegrond?
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [3] Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende, voor zover deze is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025, kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de dwangsom. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025.
6.1.
Omdat het beroep ten aanzien van de dwangsom gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het beroep niet tijdig beslissen;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in het betalen van een dwangsom van € 1.442,-;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.
3.Dit staat in artikel 6:20 van de Awb.