In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het beroep van belanghebbende beoordeeld, die stelt dat de inspecteur van de Belastingdienst niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2023. Het bezwaar was ingediend op 4 mei 2025, maar de inspecteur heeft pas op 28 november 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en kent belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar van 28 november 2025.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist, wat de ontvankelijkheid en gegrondheid van het beroep bevestigt. De rechtbank legt uit dat als een bestuursorgaan niet op tijd beslist, de betrokkene in beroep kan gaan, mits er een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. In dit geval heeft belanghebbende de inspecteur op 8 september 2025 in gebreke gesteld, waarna de rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is.
De rechtbank bepaalt dat de inspecteur de dwangsom moet betalen, omdat deze niet tijdig heeft beslist. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op basis van de regels in de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de maximale dwangsom van € 1.442,- is toegewezen. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond is, omdat belanghebbende geen gronden heeft aangevoerd tegen deze beslissing. De rechtbank beveelt de inspecteur om het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende te vergoeden, aangezien er geen proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.