ECLI:NL:RBZWB:2026:1111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6210
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging en uittreksel KvK

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen BPM, vertegenwoordigd door een gemachtigde die een machtiging overlegd heeft maar geen uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft ingediend. De rechtbank heeft de gemachtigde verzocht dit uittreksel alsnog te overleggen, maar dit is niet gebeurd en er is geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim.

Omdat het ontbreken van het uittreksel niet tijdig is hersteld, verklaart de rechtbank de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Hierdoor wordt het bestreden besluit niet inhoudelijk beoordeeld en blijft het in stand.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de gemachtigde niet bevoegd is om namens belanghebbende een dergelijk verzoek in te dienen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn en griffier R.P.A.G. Dekkers op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een uittreksel van het handelsregister en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/6210 en BRE 25/6211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] V.O.F., uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. J. Bakker),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 november 2025. De beroepen ziet op de aanslagen BPM met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] .
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat gesteld gemachtigde geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft ingediend en dit verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Wordt beroep ingesteld namens een rechtspersoon, dan moet ook een uittreksel van het handelsregister worden overgelegd. Aan de hand van zo'n uittreksel kan immers worden vastgesteld of degene die de volmacht heeft afgegeven, bevoegd is de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen
.Als geen machtiging en/of uittreksel van het handelsregister wordt overgelegd, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging en een uittreksel van het handelsregister overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij gemachtigde is van belanghebbende en heeft een machtiging overgelegd. De rechtbank heeft gesteld gemachtigde bij bericht van 8 december 2025 verzocht om de uittreksels van het handelsregister te overleggen. De griffier heeft vervolgens op 22 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst. Belanghebbende is hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen twee weken na dagtekening van het bericht te herstellen. Van plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gesteld gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 22 januari 2026 heeft ontvangen. [3] Gesteld gemachtigde heeft geen uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd. Gesteld gemachtigde heeft eveneens geen reden gegeven voor dit verzuim.
Is het niet tijdig indienen van een uittreksel van het handelsregister verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Immateriële schadevergoeding
6. Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen, kan er ook geen sprake zijn van enige spanning of frustratie bij belanghebbende die te wijten zou zijn aan het handelen of nalaten van de rechtbank of heffingsambtenaar. Gesteld gemachtigde is tenslotte niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).