ECLI:NL:RBZWB:2026:1112

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6212
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging in BPM-aanslagzaak

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een aanslag BPM, vertegenwoordigd door een gemachtigde. De rechtbank constateert dat de gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd die hem bevoegd maakt om namens belanghebbende op te treden. Ondanks een verzoek om dit verzuim te herstellen, is geen machtiging ingediend.

De rechtbank beoordeelt dat er geen verontschuldiging is voor het niet tijdig indienen van de machtiging en dat de gemachtigde niet de intentie heeft om voor zichzelf in beroep te komen. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk behandeld.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de gemachtigde niet bevoegd is om een dergelijk verzoek namens belanghebbende in te dienen. De bestreden uitspraak op bezwaar blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. J. Bakker),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2025. Het beroep ziet op de aanslag BPM met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat mr. J. Bakker geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem in haar bericht van 8 december 2025 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De griffier heeft vervolgens op 22 december 2025 een bericht geplaatst in het digitale dossier van belanghebbende. In dit bericht wordt uitstel verleend. In hetzelfde bericht wordt verzocht om binnen twee weken te reageren op de verzoeken van de rechtbank. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gesteld gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 22 december 2025 heeft ontvangen. [3] Gesteld gemachtigde heeft geen machtiging overgelegd.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor de verzuimen. Er is dus geen verontschuldiging voor de verzuimen gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.
Immateriële schadevergoeding
6. Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen, kan er ook geen sprake zijn van enige spanning of frustratie bij belanghebbende die te wijten zou zijn aan het handelen of nalaten van de rechtbank of heffingsambtenaar. Gesteld gemachtigde is tenslotte niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).