ECLI:NL:RBZWB:2026:1119

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/7256
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en verklaring van erfrecht bij WOZ-beschikking

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een beroep tegen een WOZ-beschikking en gemeentelijke belastingaanslag. Het beroep was ingesteld door een gesteld gemachtigde namens de erven van een overledene. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat de gemachtigde geen machtiging en verklaring van erfrecht had overgelegd, ondanks meerdere verzoeken om dit te herstellen.

De gemachtigde had bij het beroepschrift geen bewijs van zijn bevoegdheid gevoegd. De rechtbank heeft hem op 19 november 2024 en opnieuw op 6 januari 2025 verzocht om binnen een termijn van respectievelijk vier weken en twee weken de ontbrekende stukken te overleggen. Deze verzoeken zijn geacht ontvangen te zijn, maar er is geen reactie gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank op 2 en 21 juli 2025 en op 30 juli 2025 nogmaals gevraagd of belanghebbende zelf in beroep wilde komen, maar ook hierop is niet gereageerd.

Omdat geen verontschuldiging voor het verzuim is gegeven en de gemachtigde niet de bedoeling had om voor zichzelf in beroep te komen, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor blijft het bestreden besluit ongewijzigd en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en verklaring van erfrecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

de erven van [naam] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. M.A. Boerhorst),
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 september 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking/aanslag gemeentelijke belastingen voor het object [adres] te [plaats] met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Daarnaast dient gesteld gemachtigde in dit geval tevens een verklaring van erfrecht in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging en geen verklaring van erfrecht bijgevoegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem in haar digitaal bericht van 19 november 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Vervolgens heeft de griffier belanghebbende bij bericht 6 januari 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een machtiging en een verklaring van erfrecht te overleggen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gestelde gemachtigde verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 6 januari 2025 heeft ontvangen. [3] Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging en geen verklaring van erfrecht ingediend.
Namens wie gaat gesteld gemachtigde in bezwaar en beroep?
5. De rechtbank heeft belanghebbende bij berichten van 2 juli 2025 en 21 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij de bedoeling heeft om voor zichzelf in beroep te komen. De rechtbank heeft hem in haar digitaal bericht van 30 juli 2025 verzocht om binnen twee weken te reageren op dit verzoek. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gestelde gemachtigde verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 30 juli 2025 heeft ontvangen. [4] Gesteld gemachtigde heeft niet gereageerd op dit verzoek. Uit het beroepschrift blijkt eveneens niet dat gesteld gemachtigde de bedoeling had om voor zichzelf in beroep te komen.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging en een verklaring van erfrecht verontschuldigbaar?
6. Gestelde gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit voorgaande blijkt ook dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft om voor alleen zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).