ECLI:NL:RBZWB:2026:1119
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en verklaring van erfrecht bij WOZ-beschikking
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een beroep tegen een WOZ-beschikking en gemeentelijke belastingaanslag. Het beroep was ingesteld door een gesteld gemachtigde namens de erven van een overledene. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat de gemachtigde geen machtiging en verklaring van erfrecht had overgelegd, ondanks meerdere verzoeken om dit te herstellen.
De gemachtigde had bij het beroepschrift geen bewijs van zijn bevoegdheid gevoegd. De rechtbank heeft hem op 19 november 2024 en opnieuw op 6 januari 2025 verzocht om binnen een termijn van respectievelijk vier weken en twee weken de ontbrekende stukken te overleggen. Deze verzoeken zijn geacht ontvangen te zijn, maar er is geen reactie gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank op 2 en 21 juli 2025 en op 30 juli 2025 nogmaals gevraagd of belanghebbende zelf in beroep wilde komen, maar ook hierop is niet gereageerd.
Omdat geen verontschuldiging voor het verzuim is gegeven en de gemachtigde niet de bedoeling had om voor zichzelf in beroep te komen, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor blijft het bestreden besluit ongewijzigd en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en verklaring van erfrecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.