Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1129

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
25/2344 WW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling UWV na intrekking beroep wegens nieuw besluit

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 19 maart 2025. Dit beroep is op 14 april 2025 ingediend. Op 3 februari 2026 heeft het UWV het besluit gewijzigd, waarna verzoekster haar beroep heeft ingetrokken. De rechtbank beoordeelt het verzoek van verzoekster om het UWV te veroordelen tot betaling van proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat het UWV door het gewijzigde besluit geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster. Op grond hiervan kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen tot betaling van proceskosten. Het UWV heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de gevraagde vergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en bepaalt dat het UWV aan verzoekster een bedrag van € 934,- moet betalen, zijnde de kosten voor het indienen van het beroepschrift. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het griffierecht van € 53,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het UWV moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter K. de Weijze en griffier S. Constant op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van haar beroep wegens een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2344 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV)
.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen de beslissing van het UWV van 19 maart 2025. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 3 februari 2026 een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in de gevraagde vergoeding conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 14 april 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van 19 maart 2025. Het UWV heeft op 3 februari 2026 dit besluit gewijzigd. Hiermee is het UWV naar het oordeel van de rechtbank tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden. [3]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.