ECLI:NL:RBZWB:2026:1133
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Proces-verbaal
- S. Hindriks
- T. Peters
- M.G.J. Maas-Cooymans
- Rechtspraak.nl
Vergunningplicht tweede woning vervalt door onverbindendverklaring Huisvestingsverordening
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een vergunning om hun woning als tweede woning te gebruiken. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 3 van Pro de Huisvestingsverordening, waarin een vergunningplicht was opgenomen.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 21 november 2025 waarin hetzelfde artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening onverbindend is verklaard. Hierdoor geldt er op dit moment geen vergunningplicht voor het gebruik van woonruimte als tweede woning.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit van 14 mei 2024. De rechtbank wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht en neemt zelf een beslissing op de aanvraag. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
De uitspraak betekent dat eisers hun woning voorlopig als tweede woning mogen gebruiken totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak doet in het hoger beroep of de gemeenteraad een nieuwe vergunningplicht vaststelt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de vergunningaanvraag wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een vergunningplicht.