ECLI:NL:RBZWB:2026:1133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2417
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergunningplicht tweede woning vervalt door onverbindendverklaring Huisvestingsverordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een vergunning om hun woning als tweede woning te gebruiken. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 3 van Pro de Huisvestingsverordening, waarin een vergunningplicht was opgenomen.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 21 november 2025 waarin hetzelfde artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening onverbindend is verklaard. Hierdoor geldt er op dit moment geen vergunningplicht voor het gebruik van woonruimte als tweede woning.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit van 14 mei 2024. De rechtbank wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht en neemt zelf een beslissing op de aanvraag. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

De uitspraak betekent dat eisers hun woning voorlopig als tweede woning mogen gebruiken totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak doet in het hoger beroep of de gemeenteraad een nieuwe vergunningplicht vaststelt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de vergunningaanvraag wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een vergunningplicht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2417
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] (B), eisers

(gemachtigde: mr. N. de Wint),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag van 26 februari 2024 voor een vergunning voor het gebruik van reguliere woonruimte als tweede woning. Het gaat om de woning aan [adres] . Eisers zijn sinds 1 april 2021 eigenaar van deze woning.
1.1.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 14 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [eiser 1] en zijn gemachtigde, en namens het college: [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] .
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De gemeenteraad van Sluis heeft op 22 juni 2023 de Huisvestingsverordening gemeente Sluis 2024 (de Huisvestingsverordening) vastgesteld, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. In artikel 3, eerste lid, is een vergunningplicht opgenomen voor het gebruiken van een woonruimte als tweede woning. Deze bepaling is de grondslag geweest voor de aanvraag en voor het bestreden besluit.
3. Deze rechtbank heeft in een andere beroepszaak met de uitspraak van 21 november 2025 [1] artikel 3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening onverbindend verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Eisers zijn namelijk terecht opgekomen tegen het bestreden besluit.
De rechtbank gaat in deze uitspraak niet inhoudelijk in op de beroepsgronden van eisers, hoewel zij er begrip voor heeft dat eisers een inhoudelijk oordeel zouden willen over de reden waarom het college de vergunning heeft geweigerd. Het college heeft aangegeven dat het hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 en de rechtbank wil en kan niet vooruitlopen op het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 heeft wel tot gevolg dat er op dit moment geen vergunningplicht geldt voor het gebruik van een woonruimte als tweede woning, en daar moet de rechtbank in deze uitspraak van uitgaan. Dat betekent dat eisers hun woning voorlopig als tweede woning mogen gebruiken. Die situatie geldt tot de AbRS uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep en de onverbindendverklaring ongedaan maakt of tot de gemeenteraad een nieuwe vergunningplicht heeft vastgesteld.
4.1.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank herroept ook het besluit van 14 mei 2024 en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing op de aanvraag. De rechtbank wijst de aanvraag af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht in de Huisvestingsverordening.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De in bezwaar gemaakte proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat eisers daarom in bezwaar niet expliciet hebben verzocht.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 december 2024;
- herroept het besluit van 14 mei 2024;
- wijst de aanvraag van 26 februari 2024 af vanwege het ontbreken van een vergunningplicht in de Huisvestingsverordening;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026 door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.