Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een nadere beschikking gegeven over de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2015. De moeder heeft positieve stappen gezet in haar persoonlijke problematiek, maar de kinderrechter oordeelt dat zij eerst voor een langere periode stabiel en betrouwbaar moet zijn voordat een terugplaatsing kan plaatsvinden. De minderjarige verblijft momenteel bij haar oma, wat goed gaat. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 9 juli 2026, met de nadruk op het belang van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit in haar leven. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze machtiging, en de kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.