ECLI:NL:RBZWB:2026:115

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/02/436182 / JE RK 25-1012
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleeggezin

Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een nadere beschikking gegeven over de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2015. De moeder heeft positieve stappen gezet in haar persoonlijke problematiek, maar de kinderrechter oordeelt dat zij eerst voor een langere periode stabiel en betrouwbaar moet zijn voordat een terugplaatsing kan plaatsvinden. De minderjarige verblijft momenteel bij haar oma, wat goed gaat. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 9 juli 2026, met de nadruk op het belang van de minderjarige en de noodzaak van stabiliteit in haar leven. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze machtiging, en de kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436182 / JE RK 25-1012
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.C.W. Wingens te Tilburg.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 9 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief met bijlagen van de GI van 19 december 2025;
  • het bericht met bijlage van mr. Wingens van 31 december 2025, betreffende een brief van [minderjarige] aan de kinderrechter.
1.2
Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad, vergezeld door een collega als toehoorder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Via de advocaat van de moeder heeft de kinderrechter de brief van [minderjarige] ontvangen. De kinderrechter heeft met de aanwezigen besproken wat [minderjarige] heeft geschreven. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 9 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een netwerkpleeggezin, te weten oma moederzijde met ingang van 9 juli 2025 tot 9 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek in afwachting van schriftelijk bericht van de GI.
2.3
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van de GI van 19 december 2025. Daarin concludeert de GI, samengevat, als volgt. Op 11 augustus 2025 heeft de GI een zorgmelding ontvangen van Veilig Thuis waarin vermeld staat dat de moeder de dag voor de zitting, op 8 juli 2025, is opgenomen in het ziekenhuis in verband met een alcoholonttrekking-insult. Bij de moeder thuis zijn vuilniszakken vol lege flessen aangetroffen en een asbak vol joints. [minderjarige] was bij de moeder toen zij een epileptisch insult kreeg. De moeder is herhaaldelijk gevraagd om zelftests aan te schaffen om aan te tonen dat zij geen alcohol gebruikt. De moeder weigert dit. De moeder heeft pas na herhaaldelijk verzoek [minderjarige] ingeschreven op het adres van oma (10 november 2025). Zij heeft wel nog twee keer de kinderbijslag ontvangen (1 juli en 1 oktober 2025). De moeder heeft in de afgelopen maanden een paar keer een epileptisch insult gehad. Wel neemt zij nu medicatie en lijkt zij stappen te zetten in haar alcoholgebruik en het tegengaan van epileptische insulten. De moeder heeft op 7 oktober 2025 bij de huisarts een bloedtest laten afnemen: drie weken voor de test heeft de moeder geen of geen overmatig alcohol gebruikt.
Er heeft een netwerkscreening pleegzorg plaatsgevonden bij de oma met als resultaat een positief screeningsbesluit. [minderjarige] gaat graag naar haar vader, nu elk weekend. De vader betaalt onder andere de danslessen van [minderjarige] en verzorgt de kleding bij hem thuis. De vader denkt na over zijn gezagspositie. [minderjarige] ziet ook haar moeder graag. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is gedurende langere tijd begeleid geweest. Inmiddels is gestart met onbegeleide momenten in de week en onlangs ook met af en toe logeren. De GI heeft een omgangsregeling op papier gezet. De GI acht een verlenging van de maatregel nodig. De komende periode moet uitwijzen dat er geen sprake meer is van overmatig alcohol- en jointgebruik van de moeder en dat haar epileptische insulten onder controle zijn.

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1
De Raad verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma moederszijde in het kader van een netwerkplaatsing, voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 9 juli 2026.
3.2
De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het (nadere) standpunt van de Raad

4.1
Namens de Raad wordt, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Evenals de GI vindt ook de Raad de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De Raad handhaaft dan ook het resterende verzoek. De Raad merkt op dat zij ook de positieve ontwikkelingen ziet. Echter, de basis moet zijn dat [minderjarige] niet belast wordt met de problematiek van de moeder en het vertrouwen in de moeder groeit. Een eventuele terugplaatsing bij de moeder moet zorgvuldig plaatsvinden. Wanneer te snel wordt overgegaan tot een terugplaatsing en het blijkt toch niet goed te gaan, dan is dat zeer schadelijk voor [minderjarige]. Ook moet hierin het tempo van [minderjarige] worden gevolgd. Het is aan de GI om dit verder te monitoren en te blijven kijken wat [minderjarige] nodig heeft.

5.Het (nadere) standpunt van belanghebbenden

5.1
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. Het gaat beter met de moeder. De epileptische aanval was voor haar een omslagpunt. Zij zegt nu niet meer te drinken en niet verslaafd te zijn aan alcohol. De moeder trekt het boetekleed aan en ziet in dat zij haar verantwoordelijkheid moet nemen. Zij doet er alles aan om te zorgen dat het goed blijft gaan. Zo blijft de moeder haar medicatie gebruiken. Dit helpt tegen de epileptische aanvallen. De moeder is daarnaast bereid om tests af te nemen en is hiervoor eerder al naar de huisarts gegaan. Een bloedtest acht zij meer betrouwbaar dan een zelftest. In de betrokkenheid van de GI is de moeder teleurgesteld. Het contact met de GI is beperkt. In het afgelopen half jaar heeft de moeder de jeugdbeschermer slechts vijf keer gesproken. De moeder is zich ervan bewust dat het vertrouwen van anderen in haar moet groeien. Zij wil laten zien dat het goed met haar gaat, maar daarvoor is nodig dat er vanuit de GI regelmatig contact is. Het liefste wil de moeder dat [minderjarige] weer fulltime bij haar komt wonen, maar zij beseft dat dit met een opbouw moet plaatsvinden. Dat het contact met [minderjarige] is uitgebreid is een positief signaal. De moeder hoopt dat de GI voortvarend aan de slag kan gaan met de uitbereiding van de contactregeling.
5.2
De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij achter het resterende verzoek staat. Ook is hij blij dat de contactregeling duidelijk op papier staat. Net als de moeder, ervaart ook de vader dat het contact met de jeugdbeschermer lastig verloopt. De vader begrijpt dat de moeder meer contact wil met de jeugdbeschermer zodat zij kan laten zien dat het beter met haar gaat. De GI vraagt regelmatig aan de vader of hij weet hoe het met de moeder gaat. Echter, daar heeft hij onvoldoende zicht op en hij vindt dat de jeugdbeschermer dit zelf bij de moeder moet nagaan. De vader staat ervoor open om bij de moeder langs te gaan, zodat hij zelf kan waarnemen dat het beter met haar gaat.
5.3
In aanvulling op de brief van 19 december 2025 brengt de GI, samengevat, naar voren dat het belang van [minderjarige] met zich brengt dat de situatie van de moeder zo snel mogelijk stabiel wordt. De GI ziet dat er positieve stappen zijn gezet; de moeder doet haar best, er ligt een contactregeling en de pleegzorgscreening bij de grootmoeder is positief. In de komende periode moet worden gewerkt aan de uitbereiding van de contactregeling, zodat er op een structurele en uitgebreide basis contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast moet worden bezien of [minderjarige] extra ondersteuning nodig heeft. Zij heeft indringende gebeurtenissen meegemaakt die zij moet kunnen verwerken. De machtiging tot uithuisplaatsing is dan ook nodig voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI zal de signalen van de ouders over het contact met de jeugdbeschermer aan haar overbrengen.

6.De (nadere) beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de
minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de
kinderrechter op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Inhoudelijke beoordeling
6.2
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig is. De kinderrechter beslist dat de het resterende verzoek van de Raad zal worden toegewezen en legt hierna uit waarom.
6.3
Hoewel gebleken is dat er positieve stappen zijn gezet, is een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment nog niet mogelijk. De persoonlijke problematiek van de moeder, te weten haar middelengebruik en epileptische insulten, lijkt op dit moment meer onder controle. Echter, dit is nog pril en blijft een punt van zorg. Evenals de Raad en de GI is de kinderrechter van oordeel dat de moeder éérst moet laten zien voor een langere periode stabiel te kunnen zijn. Dit betekent dat de moeder openheid van zaken blijft geven over haar middelengebruik en zij medisch advies (zoals het blijven gebruiken van haar medicatie) aanneemt en opvolgt. Het is aan de moeder om te laten zien dat zij hierin haar verantwoordelijkheid pakt en betrouwbaar kan zijn. Dat de moeder inziet dat zij het vertrouwen hierin moet winnen, ziet de kinderrechter als iets positiefs. De kinderrechter hoopt dat de moeder de ingezette positieve lijn kan vasthouden en keuzes kan blijven maken in het belang van [minderjarige].
6.4
Voor nu acht de kinderrechter het van belang dat het verblijf van [minderjarige] bij de oma gewaarborgd blijft. Daar gaat het goed met haar. De pleegzorgscreening is positief. Vanuit de situatie dat [minderjarige] bij oma verblijft zal het contact tussen de moeder en [minderjarige] verder worden opgebouwd en zal worden bezien wat [minderjarige] nodig heeft om alle ingrijpende gebeurtennissen die zij heeft meegemaakt te kunnen verwerken. Het tempo van [minderjarige] is hierin leidend. De kinderrechter vertrouwt erop dat de GI haar regierol hierin zal pakken en zij de situatie van de moeder blijft monitoren. Daarbij passend is dat er regelmatig contact is met de moeder en er geëvalueerd blijft worden hoe het met haar gaat.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals door de
Raad is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger
beroep gaat.
6.6
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij oma moederszijde) met ingang van 9 januari 2026 tot 9 juli 2026;
7.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 9 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.