Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1900 in de gemeente Hulst. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2022 vast op €125.000, waarop de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 is gebaseerd. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepaling, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze heeft vastgesteld met toepassing van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en van vergelijkbaar type zijn gebruikt. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in bouwkundige staat, ligging en voorzieningen door een neerwaartse correctie van 46% toe te passen. De stellingen van belanghebbende over de unieke en incourante aard van de woning zijn onvoldoende onderbouwd.
Hoewel de heffingsambtenaar erkent dat de hoorplicht is geschonden doordat belanghebbende niet is gehoord op diens verzoek, wordt dit gebrek gepasseerd omdat belanghebbende in het beroepschrift zijn standpunten heeft kunnen toelichten. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar wel tot vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.