ECLI:NL:RBZWB:2026:1200

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/02/400451 / FA RK 22-3619
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag na strafrechtelijke veroordeling en voorlopige hechtenis vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag over een minderjarige, waarbij de moeder verzocht het gezag aan haar toe te kennen. Eerder was het gezamenlijk gezag vastgesteld met begeleide omgang van de vader, maar de situatie verslechterde door een strafrechtelijke veroordeling van de vader in juli 2023 en zijn recente voorlopige hechtenis.

De rechtbank stelde vast dat de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders ernstig verstoord zijn geraakt, mede doordat de vader belangrijke informatie over zijn strafrechtelijke situatie had verzwegen. Pogingen tot bemiddeling en hulpverlening hadden geen verbetering gebracht, en de vader trok zijn verweer tegen het verzoek in.

Op grond van artikel 1:253n BW en artikel 1:251a BW oordeelde de rechtbank dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder voortaan het gezag alleen uitoefent. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder alleen toegekend.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/400451 / FA RK 22-3619
datum uitspraak: 27 januari 2026
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J. Schuttkowski te Hulst.
Ouders van de thans nog minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 18 november 2025 en de daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van mr. Schuttkowski d.d. 21 november 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. De Nooijer d.d. 7 januari 2026 met bijlage.

2.De nadere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de eerder in deze procedure gegeven beschikking van 18 november 2025. De rechtbank heeft overeenkomstig het advies van de Raad en het gewijzigde verzoek van de man bij deze beschikking bepaald dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar gedurende twee dagdelen per week. De vrouw kon zich hierin vinden, omdat zij het belangrijk vindt dat de omgang onder begeleiding plaatsvindt zodat de veiligheid van [minderjarige] geborgd blijft. De veroordeling van de man heeft het vertrouwen van de vrouw in de man ernstig geschaad. Het was onvoldoende duidelijk of binnen de ouderschapsbemiddeling een situatie kan worden bereikt waarin partijen met elkaar kunnen overleggen over zaken aangaande [minderjarige] . Ondanks dat ingezet wordt op parallel ouderschap blijft dit noodzakelijk als ouders invulling moeten geven aan het gezamenlijk gezag. De rechtbank heeft zich onvoldoende geïnformeerd geacht om te beslissen over het gezag en heeft de Raad verzocht om een aanvullend onderzoek, waarin mevrouw [naam] als informant zal worden betrokken om haar bevindingen over de mogelijkheden van partijen hiertoe mee te wegen in een nader advies aan de rechtbank omtrent het door de vrouw verzochte wijziging van het gezamenlijk gezag. De rechtbank heeft in afwachting van het rapport en nader advies van de Raad de beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden.
2.2
Op 21 november 2025 heeft mr. Schuttkowski bij F-formulier laten weten dat de vrouw op de hoogte is geraakt van het feit dat de man op 16 november 2025 opnieuw is aangehouden. Hij zou in voorlopige hechtenis verblijven. Het ontbreekt de vrouw volledig aan enig inzicht waarvan de man wordt verdacht. Voor zover bekend is in het kader van de voorlopige hechtenis inmiddels de fase aangebroken van gevangenhouding, waardoor niet anders geconcludeerd kan worden dat het moet gaan om een serieus strafbaar feit waarvan de man wordt verdacht. Voor de vrouw is dit een (zoveelste) aanwijzing niet op de man te kunnen vertrouwen bij het nemen van beslissingen aangaande [minderjarige] . De man is voor haar nu niet bereikbaar en de vrouw betwijfelt of de man wel op verantwoorde wijze in staat is invulling te geven aan het gezag.
2.3
Bij brief van 7 januari 2026 heeft mr. De Nooijer namens de man gereageerd op de voornoemde brief van de vrouw. Zij laat weten dat de man niet wenst in te gaan op de inhoud van die brief. De man trekt zijn verweer tegen het verzoek van de vrouw in. Hij stemt in met het toewijzen van het verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag. Wat de man betreft hoeft het nader onderzoek door de Raad niet plaats te vinden. De man heeft geen behoefte aan een zitting, de zaak kan schriftelijk worden afgedaan.
2.4
Ingevolge de vanuit beide partijen verkregen informatie acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om te beslissen op het verzoek van de vrouw. Het bij beschikking van 18 november 2025 gedane verzoek aan de Raad voor nader onderzoek komt hiermee te vervallen.
2.5
De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.1
Ingevolge artikel 1:253n, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
2.5.2
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Partijen hebben eerder met inzet van hulpverlening positieve stappen gezet in het verbeteren van hun onderlinge communicatie, wat heeft geleid tot een concept ouderschapsplan en de aantekening van het gezamenlijk gezag. Deze positieve ontwikkeling is gekeerd op het moment dat bekend werd dat er een strafrechtelijk onderzoek liep naar de man en hij uiteindelijk in juli 2023 is veroordeeld. Uit de recente informatie is thans gebleken dat de man opnieuw is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit en dat hij in voorlopige hechtenis verblijft. In reactie op de berichtgeving van de vrouw heeft de man aangegeven niet langer zijn verweer ten aanzien van het gezag te handhaven. Hij conformeert zich aan een toewijzende beslissing van de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
2.5.3
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over de minderjarige aan één ouder toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
2.5.4
Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij samen beslissingen van enig belang over hun kind kunnen nemen. Op basis van de overlegde stukken stelt de rechtbank vast dat dit niet (meer) het geval is. Zij overweegt in dit kader het volgende.
2.5.5
Partijen zijn eerder verwezen naar de hulpverlening. De positieve ontwikkelingen tussen partijen tijdens de eerste periode van het ingezette hulpverleningstraject hebben tot een concept ouderschapsplan en de aantekening van het gezamenlijk gezag geleid. Onder begeleiding van de hulpverlening werd het voor partijen mogelijk om de contacten tussen [minderjarige] en de man uit te breiden. Deze positieve ontwikkelingen zijn verloren gegaan op het moment dat de zorgbaanbieder op de hoogte is geraakt van de strafrechtelijke veroordeling van de man in juni 2023 voor het bezitten van kinderporno en waardoor er opnieuw een groot wantrouwen is ontstaan tussen partijen, daar de man dit al die tijd heeft verzwegen voor de vrouw. De verstandhouding is hierdoor opnieuw ernstig verstoord geraakt, waardoor de vrouw zich genoodzaakt heeft gezien om de rechtbank te verzoeken het gezamenlijk gezag te wijzigen. Om te onderzoeken of ouders toch een situatie konden bereiken waarin zij invulling kunnen geven aan het gezamenlijk gezag, is op advies van de Raad [bemiddelingsbureau] ingezet. Daar is echter gebleken dat het partijen niet is gelukt om de onderlinge verstandhouding te verbeteren en dat alleen parallel ouderschap als optie resteert. Uit de nader verkregen informatie blijkt dat de verstandhouding tussen partijen inmiddels nog verder onder druk is komen te staan, nu de man opnieuw wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit en hij in voorlopige hechtenis verblijft. Uit de brief van mr. De Nooijer volgt dat de man geen nadere toelichting hierover wil geven. De man trekt zijn eerdere verweer ten aanzien van het verzoek van de vrouw in en kan zich erin vinden als de vrouw voortaan alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige] . Het is voorstelbaar dat doordat de man wederom geen openheid van zaken geeft het prille vertrouwen van de vrouw jegens de man volledig verloren is gegaan. Het heeft de druk op de onderlinge verstandhouding van partijen als ouders van [minderjarige] nog meer vergroot. Deze omstandigheden leidt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet langer in staat zijn om in gezamenlijk overleg beslissingen over [minderjarige] te nemen. Er is een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen haar ouders en de verwachting bestaat niet dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren. De rechtbank acht in het belang van [minderjarige] dat de vrouw voortaan als hoofdopvoeder zelfstandig beslissingen moet kunnen nemen over [minderjarige] , zonder daarbij afhankelijk te moeten zijn van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de man. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
2.5.6
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
3.2
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.