ECLI:NL:RBZWB:2026:1208

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11904331 \ CV EXPL 25-3244 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Goossens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:265 BWArtikel 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand

In deze zaak vordert Stichting Bewaring Woningfonds XII de ontbinding van de huurovereenkomst met [huurder] wegens een aanzienlijke huurachterstand en de ontruiming van de gehuurde woning. De huurder erkent de achterstand, maar betwist de ontbinding op grond van zijn persoonlijke omstandigheden.

De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand op het moment van dagvaarden circa 17 maanden bedroeg en inmiddels is opgelopen tot ongeveer 22 maanden. Ondanks meerdere beloften heeft de huurder geen betalingen verricht. Woningfonds heeft de huurder tijdig aangemaand en gewezen op schuldhulpverlening, en voldaan aan de meldplicht bij de gemeente.

De kantonrechter overweegt dat de ernstige huurachterstand rechtvaardigt dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en de woning ontruimd. De belangen van minderjarige kinderen van de huurder wegen niet zwaarder, mede omdat zij ook elders huisvesting hebben. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, en tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11904331 \ CV EXPL 25-3244
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
STICHTING BEWARING WONINGFONDS XII,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningfonds,
gemachtigde: G.J. Timmermans,
tegen
[huurder],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat in de kern over de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en de ontruiming van de door [huurder] gehuurde woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter zal de vorderingen van Woningfonds toewijzen. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte van Woningfonds
- de akte van [huurder]
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woningfonds verhuurt aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.401,12 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Woningfonds heeft [huurder] aangemaand op 6 augustus 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3.
Woningfonds heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Woningfonds heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Woningfonds vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 31.240,64 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Woningfonds legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woningfonds de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[huurder] voert verweer. [huurder] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat zijn belangen en de omstandigheden van het geval meebrengen dat de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen dienen te worden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[huurder] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met 31 januari 2026 berekend is op een bedrag van € 31.240,64. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
4.2.
[huurder] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
4.3.
Woningfonds vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Woningfonds heeft aan [huurder] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 1.230,99 worden toegewezen.
4.4.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Woningfonds heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.5.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.6.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand circa 17 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels circa 22 maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [huurder] heeft nog omstandigheden aangevoerd, maar die leiden niet tot een ander oordeel. Zo heeft [huurder] meerdere malen beterschap beloofd, maar hij heeft dat niet in de praktijk kunnen brengen. Verder wijst [huurder] erop dat Woningfonds geen betalingsregeling wil(de) treffen, maar zij is daartoe ook niet verplicht. Bovendien had dat [huurder] er niet van hoeven te weerhouden om desondanks (deel)betalingen te doen. [huurder] heeft echter al bijna twee jaar geen enkele (huur)betaling gedaan.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Dat is in de zaak van [huurder] niet aan de orde. Weliswaar verblijven zijn minderjarige kinderen regelmatig bij hem, maar zij hebben ook huisvesting bij hun moeder op een ander adres.
4.8.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.9.
Woningfonds wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.401,12, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, te rekenen vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.10.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningfonds worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.827,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres],
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woningfonds zijn, en de sleutels af te geven aan Woningfonds,
5.3.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Woningfonds:
- € 31.240,64 aan achterstallige huur tot en met 31 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.401,12 per maand, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, vanaf februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [huurder] om aan Woningfonds te betalen een bedrag van € 1.230,99 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 2.827,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)