ECLI:NL:RBZWB:2026:1214

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
25/833 WW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis ondanks betwiste arbeidsongeschiktheidsverklaringen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 3 januari 2025 waarin zijn aanvraag voor een WW-uitkering werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de wekeneis van 26 gewerkte weken in de voorafgaande 36 weken. Eiser was werkzaam in België van mei tot augustus 2024 en diende in september 2024 een aanvraag in.

Het geschil spitst zich toe op de periode van arbeidsongeschiktheid in april 2024, waarbij eiser twee verklaringen van zijn huisarts overlegt met verschillende data. Het UWV baseert zich op het eerste getuigschrift (9-26 april 2024) en verlengt de 36-wekenperiode met één week, maar concludeert dat eiser niet aan de wekeneis voldoet. Eiser stelt dat het tweede getuigschrift (8-28 april 2024) correct is en dat daarmee de periode drie weken arbeidsongeschiktheid omvat, wat tot toereikende verlenging zou leiden.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht het eerste getuigschrift als uitgangspunt neemt, mede omdat het tweede getuigschrift pas na confrontatie met het eerste is afgegeven en niet overeenkomt met de door eiser zelf eerder opgegeven ziekteperiode. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft de weigering van de WW-uitkering terecht gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/833 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Procesverloop

1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2025 (bestreden besluit) over de weigering aan hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.
1.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

2. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV terecht geweigerd heeft aan eiser een WW-uitkering toe te kennen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WW ontstaat recht op een uitkering als de werknemer in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. (wekeneis)
2.2.
Eiser is over de periode van 2 mei 2024 tot en met 22 augustus 2024 in België werkzaam geweest. Op 20 september 2024 heeft hij bij het UWV een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. In dit kader heeft het UWV verzocht om gegevens.
2.3.
Eiser heeft onder meer een ‘Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid’ overgelegd. Deze verklaring is op 9 april 2024 ondertekend door [huisarts] en daarop is vermeld dat eiser arbeidsongeschikt is van 9 april 2024 tot en met 26 april 2024. (eerste getuigschrift)
2.4.
Met het primaire besluit van 7 oktober 2024 heeft het UWV eisers aanvraag om een WW-uitkering afgewezen omdat hij niet voldoet aan de wekeneis.
2.5.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft eiser (nogmaals) een verklaring overgelegd van [huisarts] , gedateerd op 9 april 2024. Hierin is vermeld dat eiser arbeidsongeschikt is van 8 april 2024 tot en met 28 april 2024. (tweede getuigschrift)
2.6.
Met het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaar ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat in de periode van 36 weken voorafgaande aan de werkloosheid in 26 weken is gewerkt. Het UWV is daarbij uitgegaan van het eerste getuigschrift en volledige kalenderweken van ziekte. Op basis daarvan heeft het UWV de 36-wekenperiode met één week voorverlengd maar ook dan voldoet eiser volgens het UWV niet aan de 26-wekeneis.
Het UWV stelt dat hij niet uitgaat van het tweede getuigschrift. Er is niet gebleken dat het eerste getuigschrift niet juist is en het tweede getuigschrift wel. Het tweede getuigschrift is ook pas ontvangen nadat de gevolgen voor eisers WW-uitkering met hem besproken zijn.
2.7.
Eiser stelt in beroep dat het UWV ten onrechte uitgaat van de periode van 9 april 2024 tot en met 26 april 2024 en één week arbeidsongeschiktheid. Hij was arbeidsongeschikt van 8 april 2024 tot en met 29 april 2024. Dat blijkt ook uit het attest van 4 januari 2025. Daarmee is sprake van drie volledige weken arbeidsongeschiktheid.
Eiser bezocht zijn huisarts op 9 april 2024. Die gaf aan dat eiser zijn werk niet kon uitvoeren en vanaf 29 april 2024 weer in staat was tot werk. De huisarts ging er daarbij abusievelijk van uit dat eiser nog aan het werk was terwijl dat niet het geval was. Eiser was op dat moment werkloos en in de eerste verklaring werd het verkeerde vakje aangekruist. Eiser stelt dat met dat attest van 4 januari 2025 voldoende uitleg is gegeven over de totstandkoming van de eerste verklaring en voldoende reden is gegeven om uit te gaan van de tweede verklaring.
2.8.
In reactie op de beroepsgronden stelt het UWV onder meer dat het eerste getuigschrift dan eveneens naar waarheid is opgemaakt. Het UWV stelt dat hij eiser kan houden aan dat getuigschrift nu het tweede getuigschrift (op zijn verzoek) is afgegeven nadat hij met de gevolgen van het eerste getuigschrift geconfronteerd is. Daarvoor ziet het UWV eveneens reden in eisers brief van 15 oktober 2024 waarin hij – net als in het eerste getuigschrift – zelf ook de periode 9 april 2024 tot en met 26 april 2024 benoemd.
2.9.
Partijen verschillen met elkaar van mening of moet worden uitgegaan van het eerste getuigschrift of van het tweede getuigschrift. In het laatste geval dient de 36-wekenperiode te worden voorverlengd met drie weken en voldoet eiser aan de 26-wekeneis.
2.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende toegelicht waarom hij aanknoopt bij het eerste getuigschrift en niet bij het tweede. De rechtbank betrekt daarbij dat het tweede getuigschrift niet van 9 april 2024 kan zijn. Gebleken is immers dat eiser pas in november 2024 met het UWV heeft gebeld over afgifte van een nieuwe verklaring door de huisarts. Vervolgens heeft eiser het tweede getuigschrift overgelegd weer met de datum
9 april 2024. Daarnaast komt het eerste getuigschrift overeen met wat eiser in zijn brief van 15 oktober 2024 aangeeft, namelijk dat hij ziek was van 9 april 2024 tot en met 26 april 2024. Hij heeft daarin niet gesteld dat hij ziek was van 8 april 2024 tot en met 28 april 2024. Onder deze omstandigheden heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank aan het tweede getuigschrift niet die waarde hoeven hechten die eiser daaraan toegekend wil zien en heeft het UWV kunnen uitgaan van het eerste getuigschrift. Op basis daarvan voldoet eiser niet aan de wekeneis.
Voor zover eiser op zitting bedoeld heeft een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel is dat te laat. Die grond zal de rechtbank dan ook niet bespreken.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiser een WW-uitkering toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier openbaar op 24 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.