ECLI:NL:RBZWB:2026:1223
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen opleggen Educatieve Maatregel alcohol en verkeer
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde op 23 september 2025 aan verzoeker de verplichting op om een cursus Educatieve Maatregel alcohol en verkeer (EMA) te volgen, nadat verzoeker weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek na een verkeersongeval. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR op 11 december 2025 werd gehandhaafd. Vervolgens stelde verzoeker beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 februari 2026 werd vastgesteld dat er sprake was van een spoedeisend belang, mede gelet op persoonlijke omstandigheden en de mogelijkheid tot betalingsregeling. De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR voldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoeker had geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek, gebaseerd op het proces-verbaal van de politie en aanvullende verklaringen. Verzoeker leverde geen tegenbewijs, zoals een verklaring van een arts of familieleden.
De voorzieningenrechter benadrukte dat de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 dwingendrechtelijk voorschrijft dat bij weigering van bloedonderzoek een EMA moet worden opgelegd, zonder ruimte voor belangenafweging op grond van persoonlijke omstandigheden. Er was geen sprake van een uitzonderlijke situatie die afwijking rechtvaardigde. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, met behoud van het bestreden besluit. Verzoeker kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opleggen van de EMA wegens weigering bloedonderzoek wordt afgewezen.